Sunday, January 15, 2006

decreetswijziging studentenvoorzieningen

Decreet van 18 november 2005 tot wijziging van het decreet van 30 april 2004 betreffende de studiefinanciering en studentenvoorzieningen in het hoger onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap (1)



Het Vlaams Parlement heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen hetgeen volgt :


Decreet tot wijziging van het decreet van 30 april 2004 betreffende de studiefinanciering en studentenvoorzieningen in het hoger onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap

HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen

Artikel 1. Dit decreet regelt een gemeenschapsaangelegenheid.

Art. 2. Aan artikel 6, 1°, van het decreet van 30 april 2004 betreffende de studiefinanciering en studentenvoorzieningen in het hoger onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap wordt een zin toegevoegd, die luidt als volgt :

« Als conform artikel 3, eerste streep, van het Structuurdecreet uitzonderlijk wordt afgeweken van bovenvermelde definitie, wordt voor de aanvraag van een studiefinanciering de opleiding die begint na 31 december en eindigt na 30 september beschouwd als behorend tot het academiejaar, zoals hierboven bepaald, waarin de opleiding eindigt; ».

Art. 3. In artikel 6, 7°, van hetzelfde decreet worden de woorden "artikel 1467" vervangen door de woorden "artikel 1476".

Art. 4. In artikel 6, 12°, van hetzelfde decreet worden de woorden "voor eigen woning" vervangen door de woorden "als eigen hoofdverblijfplaats".

HOOFDSTUK II. - Studiefinanciering

Art. 5. Aan artikel 11, § 1, tweede lid, van hetzelfde decreet wordt een 3° toegevoegd, dat luidt ais volgt :

« 3° de opleiding die geaccrediteerd, erkend als nieuwe opleiding of tijdelijk erkend is en valt onder het toepassingsgebied van artikel 86 of artikel 94 van het Structuurdecreet. ».

Art. 6. Artikel 12 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt :

« Artikel 12 Studiefinanciering kan worden toegekend aan studenten met de Belgische nationaliteit en aan de volgende categorieën van studenten die in België verblijven :
1° kinderen van onderdanen van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte die op basis van een arbeidsovereenkomst gedurende een periode van twee jaar en uiterlijk 31 december van het academiejaar in kwestie minstens twaalf maanden minstens 32 uur per maand in België werken of hebben gewerkt en die zich kunnen beroepen op artikel 12 van Verordening (EEG) 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie, en kinderen van onderdanen van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte die gedurende een periode van twee jaar en uiterlijk 31 december van het academiejaar in kwestie in België werkzaamheden anders dan in loondienst verrichten of hébben verricht op basis van een inschrijving in de Kruispuntbank voor Ondernemingen of in het handelsregister;
2° onderdanen van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte die op basis van een arbeidsovereenkomst gedurende een periode van twee jaar onmiddellijk voorafgaand aan 31 december van het academiejaar in kwestie minstens twaalf maanden minstens 32 uur per maand in België werken of hebben gewerkt en die zich kunnen beroepen op artikel 7 van Verordening (EEG) 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie, en onderdanen van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte die gedurende een periode van twee jaar onmiddellijk voorafgaand aan 31 december van het academiejaar in kwestie in België werkzaamheden anders dan in loondienst verrichten of hebben verricht op basis van een inschrijving in de Kruispuntbank voor Ondernemingen;
3° onderdanen van een lidstaat van de Europese Unie die gedurende de periode onmiddellijk voorafgaand aan 31 december van het academiejaar in kwestie, gedurende vijf jaar onafgebroken in België verbleven, waarbij de termijn wordt bewezen door de inschrijving in het Rijksregister of door een gelijkwaardig attest, uit te reiken door het gemeentebestuur;
4° studenten met een buitenlandse nationaliteit die toegelaten of gemachtigd zijn voor een verblijf van onbeperkte duur in België, zoals bepaald door de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
5° kandidaat-vluchtelingen van wie de asielaanvraag ontvankelijk is verklaard, alsook hun kinderen die sinds hun minderjarigheid in België verblijven en niet zelf een asielaanvraag hebben ingediend;
6° buitenlandse onderdanen die in het kader van de strijd tegen de mensenhandel een aankomstverklaring hebben ontvangen overeenkomstig artikel 5 van de wet van 15 december 1980 of die beschikken over een machtiging tot verblijf van meer dan drie maanden voor een beperkte of onbeperkte duur overeenkomstig artikelen 9 tot en met 13 van de wet van 15 december 1980, geattesteerd door een gespecialiseerde onthaaldienst. ».

Art. 7. Aan artikel 21, eerste lid, van hetzelfde decreet wordt een 4° toegevoegd, dat luidt als volgt :

« 4° opleidingsonderdelen van een bachelors- of mastersopleiding, als in een bepaald academiejaar of semester waarin de student een diploma kan behalen, blijkt dat het desbetreffende krediet voor de opleiding in kwestie is opgebruikt. ».

Art. 8. Aan artikel 28 van hetzelfde decreet wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt :

« Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing als het referentie-inkomen van de leefeenheid geheel of gedeeltelijk is samengesteld uit het bestaansminimum of leefloon, of voor minstens 70 % bestaat uit alimentatiegelden, vervangingsinkomsten of een inkomensvervangende tegemoetkoming, toegekend in het raam van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan gehandicapten. »

Art. 9. Aan artikel 43 van hetzelfde decreet wordt een vierde lid toegevoegd, dat luidt als volgt :

« Een studentenvoorziening kan de dienst verzoeken het eerste lid tot en met het derde lid met betrekking tot de door haar betaalde voorschotten niet toe te passen. »

Art. 10. In artikel 44, tweede lid, van hetzelfde decreet worden tussen de woorden "met betrekking tot hoofdstuk IV" en de woorden "wijzigingen voordoen" de woorden "of artikel 33" ingevoegd.

HOOFDSTUK III. - Studentenvoorzieningen

Art. 11. Artikel 59 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt :

« Artikel 59. § 1. De studentenvoorzieningen zijn niet bevoegd voor studiegebonden materies die deel uitmaken van de primaire onderwijsopdracht van de hogeronderwijsinstellingen, tenzij het selectieve voorzieningen betreft.
§ 2. De studentenvoorzieningen zijn actief op een of meer van de volgende werkvelden :
1° studentenrestaurants, -cafetaria's en -keukens;
2° studentenkamers in eigen beheer van de studentenvoorzieningen die ter beschikking van de studenten worden gesteld;
3° adviesdiensten voor studentenhuisvesting en -mobiliteit;
4° steun inzake studentenmobiliteit;
5° preventieve en curatieve medische diensten;
6° psychotherapeutische diensten;
7° sociale diensten met onder meer aandacht voor studiefinanciering, het studentenstatuut en psychosociale begeleiding;
8° jobdiensten;
9° het verlenen van diensten en ondernemen van specifieke acties voor de sociale begeleiding van buitenlandse studenten;
10° initiatieven op sportief en cultureel vlak, voorkeur via de ondersteuning van studentenorganisaties;
11° de ondersteuning van studentenorganisaties die actief zijn op academisch, sociaal, sportief of cultureel gebied;
12° de kinderopvang van kinderen van studenten;
13° logistieke diensten en infrastructuur die de werkvelden, vermeld in 1° tot en met 12° ondersteunen.
§ 3. De Vlaamse Regering kan bij besluit de werkvelden, vermeld in § 2 uitbreiden. »

Art. 12. Aan artikel 60 van hetzelfde decreet wordt een 3° toegevoegd, dat luidt als volgt :

« 3° buitenlandse studenten die in het kader van de programma's van de Directie-Generaal Ontwikkelingssamenwerking (DGOS) hogeronderwijsprogramma's volgen aan een ambtshalve geregistreerde instelling, zoals bepaald in artikel 7 van het Structuurdecreet. »

Art. 13. Artikel 61 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt :

« Artikel 61. § 1. Studentenvoorzieningen kunnen selectieve voorzieningen aanbieden aan de student die aan al de volgende voorwaarden voldoet :
1° de student voldoet aan de nationaliteitsvoorwaarden, vermeld in artikel 12;
2° de student is ingeschreven aan een ambtshalve geregistreerde instelling, zoals vermeld in artikel 7 van het Structuurdecreet, en heeft met de instelling in kwestie een diplomacontract gesloten;
3° de student behoort tot een van de volgende specifieke doelgroepen :
a) minvermogende studenten die al dan niet recht hebben op een studiefinanciering;
b) studenten waarvan een ouder geboren is in een ontwikkelingsland dat is opgenomen in het eerste deel van de lijst van het Comité voor Ontwikkelingshulp (DAC) van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling;
c) studenten met een functiebeperking of chronische ziekte;
d) studenten uit nieuw samengestelde leefeenheden;
e) studenten met een studiebewijs van het beroepssecundair onderwijs;
f) alleenstaande studenten met kinderen ten laste.
§ 2. In afwijking van § 1 kunnen studentenvoorzieningen selectieve voorzieningen aanbieden aan buitenlandse studenten die in het kader van de programma's van de Directie-Generaal Ontwikkelingssamenwerking (DGOS) hogeronderwijsprogramma's volgen aan een ambtshalve geregistreerde instelling, zoals bepaald in artikel 7 van het Structuurdecreet.
§ 3. In afwijking van § 1 kan niet-structurele hulp in noodsituaties aan alle studenten verleend worden.
§ 4. De Vlaamse Regering kan bij besluit de doelgroepen, vermeld in § 1, 3°, uitbreiden. »

Art. 14. Artikel 63 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt :

« Artikel 63. § 1. De beheersovereenkomst heeft een duurtijd van vijf kalenderjaren. Bij ontstentenis van een nieuwe overeenkomst blijft de oude van kracht.
De beheersovereenkomst kan door de Vlaamse Regering voortijdig beëindigd worden door een nieuwe beheersovereenkomst te sluiten.
De eerste beheersovereenkomst wordt gesloten uiterlijk 15 november 2005 en treedt in werking op 1 januari 2006.
§ 2. De beheersovereenkomst geeft een overzicht van de werkvelden, vermeld in artikel 59, § 2, van de doelgroepen, vermeld in artikel 61, §§ 1 en 2, van de strategische en de operationele doelstellingen en de bijbehorende resultaatindicatoren.
Met toepassing van artikel 59, § 3, of artikel 61, § 4, kunnen de studentenvoorzieningen eveneens actief zijn met betrekking tot de nieuwe werkvelden of doelgroepen, zonder dat die zijn opgenomen in de beheersovereenkomst.
§ 3. De beheersovereenkomst wordt beleidsmatig ondersteund door de volgende documenten :
1° een beleidsplan voor vijf jaar, jaarlijks bijstuurbaar;
2° de raamovereenkomsten met de partners in de regio;
3° een jaarlijkse begroting en, indien van toepassing, een meerjarenbegroting, die een overzicht geven van de financiële middelen die zullen worden ingezet voor de werking, het personeel en de infrastructuur van de studentenvoorziening.
§ 4. Het beleidsplan, vermeld in § 3, 1°, bevat de volgende aspecten :
1° de strategische doelstellingen die worden geformuleerd in termen van effecten op middellange termijn;
2° de operationele doelstellingen die worden geformuleerd in termen van resultaten op korte termijn;
3° de specificiteit van de doelgroep en de wijze waarop de studentenvoorziening daarop inspeelt;
4° de communicatie met de doelgroep;
5° de samenwerking met en de eigen inbreng van de studentenvoorziening in het regionaal overlegcomité en het overlegplatform, en een overzicht van de samenwerkingsakkoorden.
Het beleidsplan wordt opgesteld overeenkomstig de leidraad die de dienst ter beschikking stelt. »

HOOFDSTUK IV. - Studentenmobiliteit

Art. 15. Aan artikel 80 van hetzelfde decreet wordt een 5° toegevoegd, dat luidt als volgt :

« 5° vertegenwoordigers van de studentenkoepelverenigingen. »

HOOFDSTUK V. - Slotbepalingen

Art. 16. Dit decreet treedt in werking op 1 juli 2005, met uitzondering van artikelen 11, 12 en 13 die uitwerking hebben met ingang van 1 juli 2004.
Kondigen dit decreet af, bevelen dat het in het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.

Brussel, 18 november 2005.
De minister-president van de Vlaamse Regering,
Y. LETERME
De Vlaamse minister van Werk, Onderwijs en Vorming,
F. VANDENBROUCKE
_______

(1) Zitting 2004-2005.
Stuk. - Ontwerp van decreet 460, nr. 1.

Wednesday, January 11, 2006

arrest arbitragehof 167/2005 ivm academische vrijheid

Rolnummer 3137 en 3210

Arrest nr. 167/2005

van 23 november 2005

A R R E S T

__________

In zake : de beroepen tot gedeeltelijke vernietiging van het decreet van de Franse Gemeenschap van 31 maart 2004 betreffende de organisatie van het hoger onderwijs ter bevordering van de integratie in de Europese ruimte van het hoger onderwijs en betreffende de herfinanciering van de universiteiten, ingesteld door P. Alexandre en anderen en door J.-L. Bozet en anderen.

Het Arbitragehof,

samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior,

wijst na beraad het volgende arrest :

*

* *

I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging

a. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 15 november 2004 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 16 november 2004, is beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 6, § 1, 7, 14, § 1, 17, § 2, 37, §§ 1 en 2, 38, vijfde lid (vierde lid in de Nederlandse vertaling), 40, 41, 48, 66, 67, 68, § 3, 71, 83, § 1, 87, 90 tot 112, 117, §§ 1 en 6, 122, 125, § 2, 138, 139, 141, 142, 159, § 2, 161, 190 en de bijlagen III en IV van het decreet van de Franse Gemeenschap van 31 maart 2004 betreffende de organisatie van het hoger onderwijs ter bevordering van de integratie in de Europese ruimte van het hoger onderwijs en betreffende de herfinanciering van de universiteiten (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 18 juni 2004, tweede uitgave) door P. Alexandre, wonende te 4300 Borgworm, rue Pré Maleau 1, R. Arnould, wonende te 6940 Durbuy, Plein de Holset 80, M. Ausloos, wonende te 4122 Plainevaux, rue des Chartreux 7, F. Balace, wonende te 4430 Ans, rue Sous-le-Bois 78, F. Bauden, wonende te 4000 Luik, rue Eracle 13, C. Baurain, wonende te 4020 Luik, Quai Churchill 21/062, M.-G. Boutier, wonende te 4000 Luik, rue des Augustins 22, J. Bozet, wonende te 4052 Beaufays, Voie de la Vigne 10, P. Compère, wonende te 4000 Luik, rue Julien Lahaut 34, J.-M. Crielaard, wonende te 4861 Soiron-Pepinster, Château de Sclassin 1, J.-L. Croisier, wonende te 5580 Wavreille, rue du Patronage 30, J.-F. Debongnie, wonende te 4100 Boncelles, rue N. Fossoul, B.P. 151, M. Delville, wonende te 4102 Ougrée, rue des Nations 47, B. Demoulin, wonende te 4000 Luik, Mont Saint-Martin 83, V. Demoulin, wonende te 4130 Tilff, rue Heid de Mael 84, R. Dondelinger, wonende te 4121 Neuville-en-Condroz, rue des Poètes 7, J.-P. Donnay, wonende te 4400 Mons-lez-Liège, rue J.-L. Adam 226, M. Dubuisson wonende te 4000 Luik, rue du Mont-de-Piété 9, J.-P. Duchesne, wonende te 4020 Luik, rue Georges Thone 14, P. Durand, wonende te 4020 Luik, Thier de la Chartreuse 36, M. Erpicum, wonende te 4000 Luik, rue Wazon 47, E. Eskenazi, wonende te 4020 Luik, Quai G. Kurth 59, J.-A. Essers, wonende te 4608 Warsage, Chemin Bois du Roi 52, M. Fairon, wonende te 4000 Luik, rue Monulphe 17, R. Germay, wonende te 4000 Luik, Quai P. Van Hoegaerden 2, A. Gob, wonende te 4000 Luik, rue Louvrex 58/41, E. Heinen, wonende te 4453 Villers-Saint-Siméon, rue du Tige 75, J.-P. Jaspart, wonende te 4890 Thimister-Clermont, Baudouinthier 54, M.-E. Melon, wonende te 4000 Luik, rue des Glacis 123, B. Merenne-Schoumaker, wonende te 4000 Luik, rue Côte d’Or 190, A. Migeotte, wonende te 4053 Embourg, Au Long Pré 69, M. Otte, wonende te 4000 Luik, boulevard Piercot 4, A. Ozer, wonende te 4000 Luik, avenue C. de Gerlache 62, C. Pagnoulle, wonende te 4000 Luik, avenue du Hêtre 12, C. Partoune, wonende te 4000 Luik, rue A. Donnay 21, E. Pastor, wonende te 4920 Aywaille, rue de la Brassine 16, F. Petit, wonende te 4130 Esneux, avenue de Géradon 18, E. Pirart, wonende te 1160 Brussel, I. Geyskenslaan 125, E. Poty, wonende te 4130 Esneux, Amostrennes 29, P. Raxhon, wonende te 4102 Ougrée, rue des Trois-Limites 35, B. Rochette, wonende te 4020 Luik-Jupille, rue Charlemagne 107, G. Simons, wonende te 4030 Grivegnée, avenue de Péville 149, M. Stasse, wonende te 4877 Olne, Riéssonsart 8a, M. Stassin, wonende te 4000 Rocourt, Allée Bietlîmé 5, S. Theissen, wonende te 4801 Stembert, rue Surdents 28, F. Tilkin, wonende te 4000 Luik, Mont Saint-Martin 83, Ö. Tunca, wonende te 4053 Embourg, rue J. Deflandre 151, M. Vanderthommen, wonende te 4130 Tilff, rue Heid de Mael 72, P. Wathelet, wonende te 4000 Luik, Visé-Voie 56, en R. Winkler, wonende te 4031 Angleur, rue de la Belle Jardinière 337.

b. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 20 december 2004 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 21 december 2004, is beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 6, § 1, 7, 14, § 1, 17, § 2, 37, §§ 1 en 2, 38, vijfde lid (vierde lid in de Nederlandse vertaling), 40, 41, 48, 66, 67, 68, § 3, 71, 83, § 1, 87, 90 tot 112, 117, §§ 1 en 6, 122, 125, § 2, 138, 139, 141, 142, 159, § 2, 161, 190 en de bijlagen III en IV van voormeld decreet van de Franse Gemeenschap van 31 maart 2004 door J.-L. Bozet, wonende te 4140 Dolembreux, Betgné 12, J.-M. Frère, wonende te 4550 Nandrin, Chemin de Sotrez 85, T. Grisar, wonende te 4970 Stavelot, Chemin de la Hoegne 50, P.-P. Gossiaux, wonende te 4000 Luik, avenue E. Digneffe 51, Y. Henrotin, wonende te 4052 Beaufays, Aux Grands Champs 63, J. Joset, wonende te 4020 Luik, Quai Mativa 54, en G. L’Homme, wonende te 4347 Fexhe-le-Haut-Clocher, rue de Rouloux 22a.

Die zaken, ingeschreven onder de nummers 3137 en 3210 van de rol van het Hof, werden samengevoegd.

Memories zijn ingediend door :

- de « Université libre de Bruxelles » (U.L.B.), waarvan de zetel is gevestigd te 1050 Brussel, Franklin Rooseveltlaan 50, tussenkomende partij in de zaak nr. 3137;

- de « Académie universitaire Wallonie-Bruxelles », waarvan de zetel is gevestigd te 6010 Charleroi, rue de Villers 277, tussenkomende partij in de zaak nr. 3137;

- de Franse Gemeenschapsregering;

- de Vlaamse Regering.

De verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend. De « Université libre de Bruxelles », de « Académie universitaire Wallonie-Bruxelles », de Franse Gemeenschapsregering en de Vlaamse Regering hebben ook memories van wederantwoord ingediend.

Op de openbare terechtzitting van 14 september 2005 :

- zijn verschenen :

. Mr. D. Matray en Mr. P. Lejeune, advocaten bij de balie te Luik, voor de verzoekende partijen;

. Mr. M. Mareschal loco Mr. M. Uyttendaele, advocaten bij de balie te Brussel, voor de « Université libre de Bruxelles » en de « Académie universitaire Wallonie-Bruxelles »;

. Mr. M. Nihoul, advocaat bij de balie te Brussel, voor de Franse Gemeenschapsregering;

. Mr. H. Vermeire loco Mr. P. Devers, advocaten bij de balie te Gent, voor de Vlaamse Regering;

- hebben de rechters-verslaggevers R. Henneuse en E. Derycke verslag uitgebracht;

- zijn de voornoemde advocaten gehoord;

- zijn de zaken in beraad genomen.

De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast.

II. In rechte

- A -

Ten aanzien van het belang van de verzoekende partijen

A.1.1. De verzoekende partijen zijn allen hoogleraar, docent of assistent aan de « Université de Liège ». Zij zijn van mening dat zij doen blijken van een persoonlijk belang om in rechte te treden, vermits het bestreden decreet hun situatie rechtstreeks en ongunstig raakt, enerzijds, door het personeel van de universiteiten te belasten met alle taken die de universitaire academies, die niet over eigen personeel beschikken, moeten uitvoeren en, anderzijds, door het ambt van lesgever los te koppelen van de opdracht die hun ofwel reeds is toegewezen ofwel later kan worden toegewezen.

A.1.2. De verzoekende partijen zijn van mening dat zij tevens doen blijken van een functioneel belang om in rechte te treden, vermits het bestreden decreet van dien aard is dat het raakt aan de prerogatieven verbonden aan hun ambt van hoogleraar, docent of assistent. De geografische beperking van de « Université de Liège », de oprichting van de academies, de beperking van de vrijheid van vereniging van de universiteiten, of nog, het feit dat de erkenning van de studies, de subsidiëring en het genot van de bevoegdheden afhankelijk worden gemaakt van de naleving van de andere bepalingen van het bestreden decreet, kunnen de inhoud zelf van het onderwijs en de financiering ervan aantasten. De « Université de Liège » zal haar onderwijsopdracht en bijgevolg het onderwijs waarmee de verzoekende partijen zijn belast, dus niet meer behoorlijk kunnen uitvoeren. Het bestreden decreet vereist overigens dat de academische vrijheid - die een van de wezenlijke prerogatieven van de verzoekende partijen vormt - wordt uitgeoefend « binnen het respect voor de bepalingen van dit decreet », waardoor een rechtstreeks verband tot stand wordt gebracht tussen de situatie van de verzoekende partijen en alle in de beroepen beoogde bepalingen.

A.2.1. In haar memorie is de Franse Gemeenschapsregering in de eerste plaats van mening dat kan worden beschouwd dat de demarche van de verzoekende partijen losstaat van of zelfs in tegenstrijd is met die van de « Université de Liège », die nauw betrokken is geweest bij de totstandkoming van het bestreden decreet en geen beroep tegen dat decreet heeft ingesteld, terwijl zij dat had kunnen doen.

A.2.2. De Regering herinnert aan het arrest nr. 38/94 en is van mening dat de verzoekende partijen niet doen blijken van een persoonlijk belang bij het beroep, daar hun situatie niet rechtstreeks en ongunstig wordt geraakt door het bestreden decreet, dat overigens in werking is getreden vanaf het academiejaar 2004-2005, met andere woorden, verschillende maanden vóór het instellen van hun beroep.

Ten aanzien van de bewering dat het decreet het personeel van de universiteiten zou belasten met alle door de academies uit te voeren taken, merkt de Regering op dat het belang van de verzoekende partijen niet onderscheiden is van een belang verbonden aan de universitaire instelling zelf en dat de verzoekende partijen niet in de plaats kunnen treden van de « Université de Liège ». De oprichting van de academies zal overigens geen enkele bijkomende opdracht met zich meebrengen, maar het integendeel mogelijk maken sommige opdrachten te rationaliseren. Ten slotte leggen de verzoekende partijen geen enkel concreet element voor waaruit blijkt dat zij rechtstreeks en ongunstig zullen worden geraakt door extra taken die de oprichting van de academies met zich zou meebrengen. Ten slotte heeft het specifiek belang in verband met het feit dat het ambt van lesgever wordt losgekoppeld van de opdracht, alleen betrekking op de bepalingen die het voorwerp uitmaken van het derde middel - dat overigens niet gegrond is.

A.2.3. Volgens de Regering hebben de verzoekende partijen evenmin een functioneel belang bij het beroep. De rechtspraak van het Arbitragehof heeft immers nooit een functioneel belang aanvaard. De verzoekende partijen verwarren overigens het persoonlijk belang met het functioneel belang door alleen hun hoedanigheid van hoogleraar of ambtenaar van de Franse Gemeenschap aan te voeren, hoedanigheid die geen specifiek ambt vormt dat een eventueel functioneel belang zou kunnen inhouden.

A.3.1. In hun memorie van antwoord preciseren de verzoekende partijen dat zij niet beweren dat zij met extra taken zullen worden belast, maar dat zij vaststellen dat de academies niet over personeel beschikken en dat daaraan bepaalde taken worden toevertrouwd, waardoor zij, ter ondersteuning van hun persoonlijk belang bij het beroep, het gevaar voor een wijziging van de onderwijsstructuur aanvoeren.

Op het vlak van de opleidingen bestaat aldus het gevaar dat sommige studiecycli worden afgeschaft, wat zou leiden tot een wijziging van de arbeidsvoorwaarden van de lesgevers en de studenten en, op termijn, tot de afschaffing van posten. Evenzo kunnen de overheden van een academie, wat de posten en de opdrachten betreft, de academische procedures wijzigen. Ten slotte is in de sector van het onderzoek het gevaar groot dat volledige sectoren van wetenschappelijke gebieden verdwijnen. Aangezien de waarborgen zijn verdwenen die de hoogleraren vroeger beschermden tegen een intrekking of een wijziging van de opdracht, volstaat het dat die intrekking zich kan voordoen om het persoonlijk belang van de verzoekende partijen aan te tonen.

A.3.2. Ten aanzien van het functioneel belang vereisen noch de rechtspraak van de Raad van State, noch die van het Arbitragehof dat, zoals de Franse Gemeenschapsregering beweert, de aangevoerde « functies » uitsluitend betrekking hebben op de « deelname aan een publiekrechtelijk beraadslagend orgaan » of dat de verzoekende partijen betrokken zijn bij de totstandkoming van de bestreden handeling.

A.3.3. Ten slotte situeren de waarden waaraan het bestreden decreet afbreuk doet, zich hoog in de hiërarchie van de normen, met name in titel II van de Grondwet of in het rechtstreeks toepasselijke supranationale recht, wat gevolgen heeft voor de ontvankelijkheid van het beroep. Door hun hoedanigheden zowel op persoonlijk als op functioneel vlak aan te voeren, onderscheiden de verzoekende partijen zich van de burgers in het algemeen en kunnen zij door de bestreden bepalingen rechtstreeks en ongunstig worden geraakt.

A.4.1. In haar memorie van wederantwoord stelt de Franse Gemeenschapsregering vast dat de verzoekende partijen zeer vaag blijven wat de verantwoording van hun persoonlijk belang betreft. Door te erkennen dat zij niet met extra opdrachten zullen worden belast bij ontstentenis van eigen personeel van de academies, geven de verzoekende partijen toe dat de bepalingen betreffende het personeel en de opdrachten van de academies hen niet rechtstreeks en ongunstig raken. Die bepalingen leiden overigens niet tot een wijziging van de universitaire onderwijsstructuur en dus van de dagelijkse taken van de verzoekende partijen. Het vermeende gevaar - dat echter door geen enkel concreet element wordt aangetoond - dat sommige studiecycli worden afgeschaft of de posten en de opdrachten worden gewijzigd, vloeit ten slotte niet voort uit de oprichting van de academies, maar uit de bepalingen betreffende de financiering van de universiteiten, die vóór het bestreden decreet bestonden.

A.4.2. Bovendien is het niet coherent een functioneel belang aan te voeren, wanneer kan worden aangetoond dat men in zijn situatie rechtstreeks en ongunstig wordt geraakt. De rechtspraak van de Raad van State waarnaar de verzoekende partijen verwijzen, stelt het door de Franse Gemeenschapsregering verdedigde begrip van functioneel belang niet ter discussie en de verzoekende partijen bekritiseren de rechtspraak van het Arbitragehof trouwens niet.

A.4.3. Volgens de Regering wordt het belang niet verschillend beoordeeld wanneer de waarden waaraan afbreuk is gedaan, zich hoog in de juridische hiërarchie situeren. Ook al kan hun beroep niet als een actio popularis worden beschouwd, toch bestaat er een marge tussen de ontstentenis van een persoonlijk belang en een actio popularis. Ten slotte verwarren de verzoekende partijen de begrippen persoonlijk belang en functioneel belang met elkaar door waarden aan te voeren die alleen de « Université de Liège » als instelling betreffen, en niet de verzoekende partijen zelf.

A.5. In hun memorie van wederantwoord zijn de « Université libre de Bruxelles » en de « Académie universitaire Wallonie-Bruxelles » van mening dat de beroepen bij ontstentenis van belang onontvankelijk zijn en verwijzen zij naar de argumenten die de Franse Gemeenschapsregering uiteenzet.

Ten aanzien van het belang van de tussenkomende partijen

A.6. De « Université libre de Bruxelles » is van mening dat er een onbetwistbaar verband bestaat tussen haar onderwijsopdrachten en het onderwerp van de bestreden bepalingen en dat zij doet blijken van een belang bij het behoud van die bepalingen.

A.7. De « Académie universitaire Wallonie-Bruxelles », die in uitvoering van het bestreden decreet is opgericht, is van mening dat er een onbetwistbaar verband bestaat tussen haar opdrachten, die zijn gedefinieerd in artikel 3 van haar statuten, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 6 september 2004, en het onderwerp van de bestreden bepalingen, zodat zij doet blijken van een belang bij het behoud van die bepalingen.

Ten gronde

Verzoekschriften

A.8. Door de toekenning van subsidies aan de naleving van sommige voorwaarden te koppelen, beperkt het bestreden decreet, volgens de verzoekende partijen, de vrijheid van onderwijs, zodat het, om conform de grondwettelijke voorschriften te zijn, noodzakelijk is dat de voorwaarden in overeenstemming zijn met het nagestreefde doel en daarmee evenredig zijn. Daarnaast heeft de wetgever artikel 24, § 2, van de Grondwet geschonden, door te stellen dat titel IV van het decreet niet inhield dat bevoegdheden van de Gemeenschap, als inrichtende macht, naar de academies werden gedelegeerd.

A.9.1. Een eerste middel is afgeleid uit de schending van de vrijheid van onderwijs, gewaarborgd bij artikel 24 van de Grondwet, en van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, bepaald in de artikelen 10, 11 en 24, § 4, van de Grondwet.

De in dat middel beoogde bepalingen voorzien in de toekenning van bevoegdheden om universitaire studies in te richten per studiecyclus en per site. Volgens bijlage III van het bestreden decreet is de « Université de Liège » bevoegd om, vanaf het academiejaar 2004-2005, voor de meeste van de aan haar toegewezen domeinen de studies van het eerste en het tweede curriculum te organiseren in de kantons Luik, Aywaille, Herstal, Seraing en Fléron, alsook, voor milieuwetenschappen en -beheer en oceanografie, in het kanton Aarlen.

In tegenstelling tot twee andere universiteiten die in omvang en uitstraling vergelijkbaar zijn - de « Université catholique de Louvain » en de « Université libre de Bruxelles » - wordt de « Université de Liège » dus de toegang ontzegd tot het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. In verband met de opmerking van de Raad van State waarin wordt gewezen op de noodzaak om de toewijzing van die bevoegdheden te verantwoorden, heeft de Minister van Hoger Onderwijs verklaard dat het erom ging hetgeen thans is georganiseerd, te erkennen.

A.9.2. Door de « Université de Liège » te beperken tot bepaalde kieskantons en door haar de toegang tot het grondgebied van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest te verbieden, houden de aangeklaagde bepalingen van het decreet een geografische beperking van de vrijheid van onderwijs in en schenden zij het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Het criterium dat ertoe strekt de bestaande situatie vast te zetten, is conjunctureel - vermits de « Université de Liège » gedurende meer dan 150 jaar cursussen diergeneeskunde heeft verstrekt in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest - en is bijgevolg niet adequaat noch pertinent.

Aldus bestaat een totale tegenstrijdigheid tussen het nagestreefde doel en het feit dat, voor de « Université de Liège », de bronnen van creativiteit, kritische zin, ontwikkeling en evolutie van de kennis moeten ophouden aan de grenzen van de voormelde kieskantons. Die geografische beperking is des te minder redelijk, daar de wetgever heeft verklaard het hoger onderwijs te willen aanpassen aan de Europese dimensie. De « Université de Liège » is overigens de enige « volledige » universiteit waarvan de Franse Gemeenschap de inrichtende macht is en die het de Franse Gemeenschap aldus mogelijk maakt haar verplichting na te komen om een neutraal universitair onderwijs te organiseren dat voor iedereen op heel haar grondgebied toegankelijk is. Dat kenmerk zou op zich hebben verantwoord dat de « Université de Liège » niet tot enkele kieskantons wordt beperkt.

A.10.1. Een tweede middel is afgeleid uit de schending van artikel 24, § 2, van de Grondwet en, in ondergeschikte orde, uit de schending van de vrijheid van vereniging, vervat in artikel 27 van de Grondwet, en van de vrijheid van onderwijs, vervat in artikel 24 van de Grondwet.

A.10.2. Volgens de verzoekende partijen zouden de bepalingen betreffende de universitaire academies het voorwerp moeten hebben uitgemaakt van een bijzonder decreet dat met tweederde meerderheid was goedgekeurd, vermits de universitaire academies, die rechtspersoonlijkheid hebben, bevoegd zijn om, wanneer de betrokken universiteiten daarom verzoeken, de onderwijsopdrachten die zijn toegewezen aan de universiteiten waarvan de Gemeenschap de inrichtende macht is, volledig of gedeeltelijk te organiseren. In tegenstelling tot wat in de memorie van toelichting wordt gesteld naar aanleiding van een opmerking van de Raad van State, zijn de verzoekende partijen echter van mening dat de toepassing van artikel 24, § 2, van de Grondwet geen volledige bevoegdheidsoverdracht vereist.

A.10.3. In ondergeschikte orde zijn de verzoekende partijen van mening dat de bepalingen betreffende de universitaire academies de vrijheid van vereniging en de vrijheid van onderwijs schenden. Gelet op de aanzienlijke voordelen, onder meer op financieel vlak, die aan de academies zijn voorbehouden, zou de universiteit die ervoor zou kiezen om zich niet te verenigen, immers moeten afzien van fundamentele elementen van haar maatschappelijk doel, zodat de vrijheid van de universiteiten om zich niet te verenigen, beperkt is. Via de verbodsbepalingen en de verplichtingen vervat in artikel 90 van het bestreden decreet of door in artikel 107 van het decreet de fusies tussen universiteiten voor te behouden aan de leden van eenzelfde academie, is de vrijheid van vereniging van de universiteiten overigens ook beperkt, zonder dat die beperkingen pertinent zijn of in overeenstemming met het nagestreefde doel.

A.11.1. Een derde middel wordt afgeleid uit de schending van de academische vrijheid, gewaarborgd bij de artikelen 19 en 24 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 13 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, opgenomen onder titel II van de Grondwet voor Europa, en de artikelen 9 en 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, alsook uit de schending van het verbod om aangelegenheden inzake de inrichting van het onderwijs over te dragen, vervat in artikel 24, § 5, van de Grondwet, en van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, gewaarborgd bij de artikelen 10, 11 en 24, § 4, van de Grondwet.

A.11.2. Volgens het eerste onderdeel van het middel zou het bestreden decreet afbreuk doen aan de academische vrijheid, een fundamentele vrijheid die voortaan integraal deel uitmaakt van het ontwerp van de Grondwet voor Europa en die, in het Belgisch recht, redelijkerwijs kan worden afgeleid uit de vrijheid van onderwijs.

De academische vrijheid, die weliswaar in artikel 67 wordt afgekondigd, heeft aldus geen betrekking op de onderzoeks- en publicatieactiviteiten en wordt in die zin opgevat dat zij wordt uitgeoefend « binnen het respect voor de bepalingen van dit decreet », die die vrijheid aanzienlijk beperken. De decreetgever heeft het aldus nodig geacht sommige, als « verouderd » beschouwde bepalingen te wijzigen, die een zekere duurzaamheid - en niet onveranderlijkheid - van de onderwijsopdracht verzekerden, teneinde de academische vrijheid van de lesgevers te beschermen. De bestreden bepalingen schrijven voortaan voor dat de toewijzing van de opdracht tijdelijk wordt en heffen de waarborgen van de lesgever op ingeval diens opdracht wordt gewijzigd.

A.11.3. Volgens het tweede onderdeel van het middel schendt het bestreden decreet, door geen enkele toelichting te geven over essentiële punten zoals de voorwaarden bij het al dan niet verlengen van de toegewezen opdracht, de motieven die een wijziging van de opdracht verantwoorden, of de waarborg dat de in die aangelegenheden genomen beslissingen zullen losstaan van de ideologische en filosofische overtuigingen van de betrokkene, artikel 24, § 5, van de Grondwet, dat de wil van de Grondwetgever vertaalt om de bevoegdheid van de wetgever op het vlak van de inrichting van het onderwijs te versterken.

In tegenstelling tot de andere ambtenaren van het openbaar ambt die het recht hebben een dienstaanwijzing te verkrijgen, bevinden de verzoekende partijen zich overigens in een situatie waarbij hun onderwijsopdracht niet alleen kan worden gewijzigd, maar tevens opgeheven, zonder dat hiervoor in de parlementaire voorbereiding enige verantwoording is gegeven.

Ten slotte voorziet artikel 161 van het decreet in een onmiddellijke toepassing van het beginsel van de « detitularisering », waarbij zonder enige verantwoording twee onderscheiden categorieën van personen, namelijk de reeds benoemde hoogleraren en diegenen die dat nog niet zijn, op identieke wijze worden behandeld en aldus afbreuk wordt gedaan aan de gewettigde verwachtingen van de verzoekende partijen, die de door het decreet ingevoerde wijzigingen niet konden voorzien toen zij voor een universitaire loopbaan hebben gekozen.

Memorie van de Franse Gemeenschapsregering

A.12.1. Ten aanzien van het eerste middel voert de Franse Gemeenschapsregering aan dat alleen de artikelen 37, § 1, en 38, vijfde lid (vierde lid in de Nederlandse vertaling), van het decreet door het middel worden beoogd en is zij in hoofdorde van mening dat het beroep onontvankelijk is bij ontstentenis van een belang.

A.12.2. In ondergeschikte orde is zij van mening dat het middel in rechte gedeeltelijk faalt, vermits de verzoekende partijen niet preciseren welk deel van artikel 24 hun eerste referentienorm van het middel zou vormen.

De Franse Gemeenschapsregering herinnert aan het arrest nr. 1/2003 en is, zoals de Raad van State in zijn advies over het ontwerp van bestreden decreet, van mening dat de vaststelling van geografische bevoegdheden in overeenstemming is met het voorschrift van artikel 24, § 1, van de Grondwet. De tweede zin van artikel 24, § 4, betreft overigens de naleving van het schoolpact en lijkt verbonden met het verplicht onderwijs, zodat, in het kader van het eerste middel, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet de enige referentienormen van het Hof zijn.

A.12.3. Ten aanzien van een eventueel verschil in behandeling tussen de « Université de Liège » en de andere universiteiten die over een « volledige » geografische bevoegdheid beschikken, herinnert de Regering aan de talrijke motieven die de Minister van Hoger Onderwijs heeft aangevoerd. De beperking, van louter geografische orde, van de bevoegdheden heeft in de eerste plaats tot doel rekening te houden met de combinatie tussen de beperkte omvang van het grondgebied dat onder de Franse Gemeenschap ressorteert en het grote aantal universitaire instellingen, waarbij de zorg bestaat om de pluraliteit binnen het universitaire landschap te behouden en tegelijk een scherpe concurrentie tussen die instellingen te vermijden. De drie universitaire instellingen die over een volledige bevoegdheid beschikken, zijn aldus elk beperkt tot een geografisch gebied, dat overeenstemt met hun natuurlijke geografische invloedssfeer, waarbij de decreetgever zich ertoe beperkt de bestaande situatie vast te zetten. De geografische bevoegdheden en de gedeeltelijke herinrichting van het universitaire landschap die daaruit voortvloeit, zijn niet nadelig voor de « Université de Liège ».

A.12.4. De bestreden bepalingen zijn evenredig : zij voeren geen vaste situatie in, maar een situatie die van nature uit voor verandering vatbaar is, zij maken andere wijzen van geografische uitbreiding van de instellingen mogelijk, en zij doen geenszins afbreuk aan de financiële belangen van de « Université de Liège ».

Die bepalingen zijn niet in tegenspraak met andere doelstellingen van het decreet. Enerzijds, heeft artikel 3 van het decreet geenszins tot doel de « geografische » inhoud van het onderwijs en de sites waarvoor een bevoegdheid is toegekend, te laten samenvallen. Anderzijds, is er geen enkele tegenstrijdigheid tussen de mogelijkheid voor de « Université de Liège » om een Europese dimensie aan te nemen en de beperkingen van louter geografische aard.

A.13.1. Ten aanzien van het tweede middel is de Franse Gemeenschapsregering in hoofdorde van mening dat het middel onontvankelijk is bij ontstentenis van een belang, vermits de bestreden bepalingen alleen betrekking hebben op de « Université de Liège » en de vermeende niet-naleving van een procedurebepaling de verzoekende partijen overigens niet kan benadelen.

A.13.2. In ondergeschikte orde is de Regering van mening dat het middel niet gegrond is. Volgens haar zou het eerste onderdeel moeten worden verworpen omdat het onvoldoende nauwkeurig is. Overigens, alleen een volledige bevoegdheidsoverdracht inzake onderwijs en niet de organisatie van een wijze van samenwerking tussen universiteiten valt onder het toepassingsgebied van artikel 24, § 2, van de Grondwet.

Het tweede onderdeel van het middel berust op een onjuiste beoordeling van de draagwijdte van de in het geding zijnde bepalingen en is voor het overige niet gegrond, omdat het proces van integratie of samenwerking tussen de instellingen de vrijheid van vereniging niet beperkt, daar het berust op een vrijwillige basis en geen afbreuk doet aan de financiële belangen van de universiteiten. Ten slotte hebben de aangeklaagde maatregelen in het algemeen een zeer geringe weerslag op de organisatie van het onderwijs en de samenwerking in ruime zin tussen universitaire instellingen.

A.14.1. Ten aanzien van het eerste onderdeel van het derde middel is de Franse Gemeenschapsregering in hoofdorde van mening dat de academische vrijheid geen deel uitmaakt van de referentienormen van het Hof omdat zij niet wordt beoogd door de vrijheid van onderwijs die in artikel 24 van de Grondwet wordt afgekondigd en omdat het Hof niet bevoegd is om te waken over de naleving van de Grondwet voor Europa - die vandaag geen enkele bindende waarde heeft -, noch om rechtstreeks toe te zien op de naleving van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens - waarvan de bepalingen overigens geen vermeende academische vrijheid bevestigen.

A.14.2. In ondergeschikte orde is de Regering van mening dat die vrijheid niet absoluut is en dat de daarin aangebrachte beperkingen volkomen verantwoord zijn. Het bestreden artikel 67 heeft aldus niet de draagwijdte die de verzoekende partijen eraan geven, daar het geen betrekking heeft op de onderzoeksactiviteiten, en het is niet de toewijzing van de opdracht die tijdelijk wordt, maar alleen de inhoud ervan. De academische mobiliteit die daaruit voortvloeit, is een maatregel die relevant is ten aanzien van de beoogde integratie in de Europese ruimte van het hoger onderwijs.

A.14.3. Ten aanzien van het tweede onderdeel van het middel is de Regering van mening dat de verzoekende partijen zich vergissen in de draagwijdte van artikel 24, § 5, van de Grondwet en dat de bestreden bepalingen geen enkele normatieve of reglementaire delegatie aan de Franse Gemeenschapsregering toekennen, maar uitsluitend zeer duidelijke taken, als administratieve overheid, in het kader van benoemingsprocedures of procedures inzake de toewijzing van opdrachten. Bovendien is het niet redelijk om van de decreetgever te eisen dat hij de door de verzoekende partijen in het middel vermelde elementen nader vaststelt. Ten slotte voert artikel 161 van het decreet een overgangsbepaling in die een redelijk evenwicht tot stand brengt tussen de toepassing van de nieuwe regels op de hoogleraren die reeds in functie zijn en het behoud, gedurende een bepaalde periode, van hun situatie van vóór de inwerkingtreding.

Memorie van de Vlaamse Regering

A.15.1. De Vlaamse Regering beperkt zich tot enkele beschouwingen in verband met het tweede middel. Volgens de Vlaamse Regering is artikel 24, § 2, van de Grondwet van toepassing wanneer bevoegdheden inzake onderwijs sensu stricto, met inbegrip van het hoger onderwijs, worden overgedragen van de Gemeenschap naar een afzonderlijk publiekrechtelijk persoon, opgericht bij of krachtens een decreet, als inrichtende macht. In dat geval behoudt de Gemeenschapsregering alleen nog een normatieve bevoegdheid, maar niet langer de bevoegdheid voor de organisatie als dusdanig van het betrokken onderwijs, namelijk de ondeelbare verantwoordelijkheid ten aanzien van de organisatie van het onderwijs.

A.15.2. Het volstaat dan dat het bijzonder decreet de krachtlijnen en beginselen betreffende de opties, de structuur en de bevoegdheden bevat, terwijl het overige bij gewoon decreet of zelfs, mits het legaliteitsbeginsel wordt nageleefd, bij uitvoeringsbesluit kan worden geregeld. Hieruit volgt dat artikel 24, § 2, van de Grondwet geen « delegatie » inhoudt, wat met zich meebrengt dat artikel 9 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen niet van toepassing is.

A.15.3. Volgens de Vlaamse Regering is het bijgevolg niet noodzakelijk dat alle bevoegdheden van de Gemeenschap worden overgedragen aan een of meerdere autonome organen opdat artikel 24, § 2, van de Grondwet van toepassing zou zijn. De bestreden bepalingen lijken derhalve in tegenspraak met artikel 24, § 2, van de Grondwet.

Memorie van antwoord van de verzoekende partijen

A.16.1. Ten aanzien van het eerste middel zijn de verzoekende partijen van mening dat de in het middel beoogde bepalingen gemakkelijk kunnen worden geïdentificeerd, vermits de geografische beperking van de « Université de Liège » afbreuk doet aan bepaalde aspecten van de vrijheid van onderwijs, die niet ruimer diende te worden omschreven.

A.16.2. Volgens de verzoekende partijen bestaat geen enkele verantwoording voor de geografische beperking van de « Université de Liège », die vroeger niet bestond. Indien de doelstelling erin bestond een scherpe concurrentie - waarvan het bestaan geenszins vaststaat - tussen instellingen te voorkomen, dan had de geografische bevoegdheid op eenzelfde grondgebied niet moeten worden toegekend, zoals dat het geval is voor de U.C.L. en de U.L.B. op dat van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, waartoe de « Université de Liège » nochtans de toegang wordt geweigerd. Bovendien is het, ten aanzien van de aantastingen van de vrijheid van onderwijs, geenszins pertinent om de bestaande situatie te willen « vastzetten ».

A.16.3. De verzoekende partijen zijn van mening dat het niet relevant is een uitbreiding van de niet-geografische bevoegdheden van een universiteit - die niet in aanmerking kunnen worden genomen om een aantasting van de vrijheid van onderwijs te verantwoorden - te koppelen aan een beperking van de geografische bevoegdheden, of nog, aan financiële overwegingen, zoals de Franse Gemeenschapsregering suggereert. De vermeende nieuwe « bevoegdheden » zijn overigens niet nieuw, vermits zij reeds vroeger bestonden. Ten slotte is het feit dat een norm kan worden gewijzigd, een kenmerk dat eigen is aan elke wetgeving en is het niet van dien aard dat het de evenredigheid van de maatregel aantoont.

A.16.4. Die onevenredige aantasting van de vrijheid van onderwijs is discriminerend voor de « Université de Liège ». De mogelijkheden van internationale samenwerking, die voor alle universiteiten bestaan, en de omvang van de « Université de Liège » verantwoorden geenszins de geografische beperking van haar bevoegdheden, aangezien de decreetgever zelf heeft gesteld dat de « Université de Liège » kon worden vergeleken met de andere volledige universiteiten van de Gemeenschap. De Franse Gemeenschapsregering geeft overigens toe dat de bronnen van creativiteit, kritische zin, ontwikkeling en evolutie van de kennis, mogelijk niet samenvallen met het bevoegdheidsgebied van de universiteit. Artikel 24, § 4, van de Grondwet is van toepassing op het universitair onderwijs, zodat de verplichting van de Gemeenschap om op heel haar grondgebied een neutraal en voor iedereen toegankelijk onderwijs te verstrekken, een aangepaste behandeling voor de « Université de Liège » verantwoordde.

A.17.1. Ten aanzien van het tweede middel preciseren de verzoekende partijen dat, volgens het advies van de Raad van State, alle universitaire academies bij bijzonder decreet moesten worden georganiseerd, zodat een eventuele gedeeltelijke vernietiging waarnaar de Franse Gemeenschap verwijst, niet pertinent zou zijn, omdat die zou leiden tot een dubbele regeling, wat de wetgever niet heeft gewild. Zij hebben dus belang bij het middel.

A.17.2. Ten aanzien van het eerste onderdeel van het middel vormen de beoogde bepalingen, in zoverre zij op de academies van toepassing zijn, een onlosmakelijk geheel en hadden zij het voorwerp van een bijzonder decreet moeten uitmaken, vermits artikel 24, § 2, van de Grondwet van toepassing is : de Gemeenschap, als inrichtende macht, delegeert bevoegdheden aan de academies, autonome organen die rechtspersoonlijkheid genieten en over een eigen vermogen beschikken. Artikel 24, § 2, van de Grondwet vereist geen volledige overdracht van bevoegdheden, zoals dat voortvloeit uit een deel van de rechtsleer en uit de lering van de afdeling wetgeving van de Raad van State. Ten aanzien van het tweede onderdeel van het middel herinneren de verzoekende partijen alleen aan de inhoud van hun verzoekschrift.

A.18.1. Ten aanzien van het derde middel herinneren de verzoekende partijen eraan dat het Arbitragehof, via de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, waakt over de naleving van de grondbeginselen van de Belgische rechtsorde, waaronder de fundamentele rechten die zijn verankerd in het rechtstreeks van toepassing zijnde supranationale recht, alsook de rechten die zijn erkend in het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, dat een belangrijke referentieparameter en een gemeenschappelijke noemer van de essentiële juridische waarden van de lidstaten vormt. Het is op zijn minst geenszins uitgesloten dat het Handvest kan worden gebruikt om de andere in het middel aangevoerde bepalingen te interpreteren.

A.18.2. De Franse Gemeenschap kan niet uitleggen waarom het vereist is om het tijdelijke karakter van de opdrachten in te stellen en het onderwijzend korps aldus in een positie van eeuwige bedelaar te plaatsen. Het recht om kritiek te uiten dat in de academische vrijheid is verankerd, moet het de hoogleraren mogelijk maken standpunten te uiten die niet overeenstemmen met die van de overheden die over de verlenging of de wijziging van de opdrachten beslissen, wat door de principiële detitularisering van de opdrachten niet meer mogelijk zal zijn. Ten slotte zijn een aantal waarborgen om te voorkomen dat een opdracht om andere redenen dan het algemeen belang zou worden ingetrokken, bijvoorbeeld wegens de ideologische of filosofische overtuiging van de betrokkene, afgeschaft omdat zij als verouderd werden beschouwd.

Hoewel de verlenging of de intrekking van de opdracht moet plaatshebben met naleving van het door de universiteiten opgestelde reglement, wordt de inhoud van dat reglement nergens gepreciseerd in het decreet, zodat de universiteiten over een discretionaire bevoegdheid ter zake beschikken. Het is aldus veelbetekenend dat, aan de « Université de Liège », de academische overheden hebben overwogen om het reglement met betrekking tot de opdrachten op te nemen in deontologische bepalingen. Bovendien heeft de aan de hoogleraren geboden bescherming voortaan een reglementaire waarde en worden ernstige ontsporingen mogelijk gemaakt door een regeling waarin de beslissing betreffende een mogelijke afwijkende zienswijze wordt overgelaten aan een van de protagonisten. Ten slotte hebben de aangeklaagde bepalingen geenszins tot gevolg dat de academische mobiliteit wordt verzekerd, vermits, mocht zulks het geval zijn, de intrekking van een opdracht voor de betrokkene gepaard zou moeten gaan met de correlatieve toekenning van een nieuwe opdracht.

Memorie van wederantwoord van de Franse Gemeenschapsregering

A.19.1. Ten aanzien van het eerste middel verwijst de Franse Gemeenschapsregering naar de argumentering in haar memorie, aangezien de verzoekende partijen geen enkel specifiek antwoord geven in verband met de ontvankelijkheid van het middel of de gegrondheid ervan.

A.19.2. Voor het overige strekken de geografische bevoegdheden ertoe een reeds lang bestaande situatie vast te zetten, waarbij de administratieve en historische zetel van de « Université de Liège » zich op honderd kilometer van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest bevindt. Bovendien wordt de mogelijkheid om externe samenwerkingen aan te gaan, in het arrest nr. 44/2005 beschouwd als een verantwoording voor het feit dat de Vlaamse decretale bepalingen die in het kader van het hoger onderwijs sommige associaties opleggen, geen discriminerend karakter hebben. Mocht artikel 24, § 4, van de Grondwet te dezen van toepassing zijn, vereist het ten slotte geen enkel evenwicht tussen de netten en verplicht het nog minder om op het hele grondgebied van de Gemeenschap een rechtstreeks door de Gemeenschap ingericht onderwijs te organiseren.

A.20.1. Ten aanzien van het tweede middel is de Franse Gemeenschapsregering van mening dat de verzoekende partijen geen enkel belang hebben bij het middel, aangezien zij geen enkel rechtstreeks voordeel voor hun situatie aantonen, indien het middel zou worden ingewilligd. Mocht het middel gegrond worden geacht, zou overigens alleen nog de rond de « Université de Liège » opgerichte academie als onregelmatig kunnen worden beschouwd om reden dat de bestreden bepalingen niet met een tweederde meerderheid zijn aangenomen, wat de « Université de Liège » in een benadeelde positie zou plaatsen ten opzichte van de andere universitaire instellingen die over een volledige bevoegdheid beschikken.

A.20.2. Mocht het eerste onderdeel van het middel, bij ontstentenis van nauwkeurigheid, niet onontvankelijk worden verklaard, zou het in elk geval niet gegrond zijn, vermits artikel 24, § 2, van de Grondwet alleen van toepassing is op een volledige overdracht van bevoegdheden aan een autonoom orgaan, wat te dezen niet het geval is.

A.20.3. Ten aanzien van het tweede onderdeel van het middel stelt de Franse Gemeenschapsregering vast dat de verzoekende partijen kritiek uiten op de beperkingen van de vrijheid van vereniging van de universiteiten binnen de academies, terwijl geen enkele van die beperkingen de situatie van de universiteiten ongunstig wijzigt ten opzichte van de vóór de inwerkingtreding van het bestreden decreet bestaande situatie. In ondergeschikte orde stelt de Regering vast dat de vrijheid van vereniging het voorwerp kan uitmaken van vrij nauwkeurige werkingsregels, waarbij de wetgever over een zekere beoordelingsmarge beschikt.

A.21.1. Ten aanzien van het derde middel is de Franse Gemeenschapsregering van mening dat het beginsel van de academische vrijheid niet wordt beoogd door de in artikel 24 van de Grondwet afgekondigde vrijheid van onderwijs en dat de andere internationaalrechtelijke bepalingen die de verzoekende partijen aanvoeren, niet relevant zijn, omdat zij geen referentienorm van intern recht vinden. Het middel dat in hun memorie van antwoord opnieuw wordt geformuleerd, via de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, is nieuw en komt derhalve te laat. De argumentatie steunt overigens hoofdzakelijk op het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, terwijl dat laatste geen enkele autonome bindende waarde heeft en het, ook al zou kunnen worden beschouwd dat het een algemeen beginsel van gemeenschapsrecht instelt, quod non, alleen van toepassing zou zijn op de intracommunautaire betrekkingen, zonder rechtstreeks gevolg voor de louter interne betrekkingen.

A.21.2. Ten aanzien van het eerste onderdeel van het middel kan de wetgever, met het oog op het algemeen belang, financierings- of subsidievoorwaarden opleggen die de academische vrijheid beperken. Het is overigens niet de opdracht die tijdelijk wordt, maar de inhoud ervan, teneinde de academische mobiliteit te bevorderen en de academische kwaliteiten van elkeen te doen overeenstemmen met de inhoud van het onderwijs. Het decreet brengt aldus een evenwicht tot stand tussen de individuele academische vrijheid en het algemeen belang van de kwaliteit van het onderwijs.

A.21.3. Ten aanzien van het tweede onderdeel van het middel vergissen de verzoekende partijen zich in de draagwijdte van artikel 24, § 5, van de Grondwet, dat geen enkele verplichting inhoudt om wetgevend op te treden. Door kritiek te uiten ten aanzien van een te discretionair geachte bevoegdheid van de universiteiten, bekritiseren de verzoekende partijen een lacune en niet een ongrondwettige delegatie. Het is echter niet redelijk van de wetgever te eisen dat hij de voorwaarden voor het al dan niet verlengen van de inhoud van de opdracht nader vaststelt, vermits hij de wezenlijke bestanddelen ervan bepaalt. De wet van 28 april 1953 preciseerde overigens evenmin de voorwaarden voor de verlenging van de opdracht, zodat de verzoekende partijen geen belang hebben bij de vernietiging van de bestreden bepalingen en de noodzaak om te voorzien in een detitularisering werd overigens reeds onderstreept in de parlementaire voorbereiding van de wet van 21 juni 1985 tot wijziging van de voormelde wet van 28 april 1953. Ten aanzien van de tweede grond van het tweede onderdeel van het middel wordt alleen artikel 161 door die laatste grief beoogd, die de verzoekende partijen overigens niet meer hebben behandeld in hun memorie van antwoord.

Memorie van wederantwoord van de Vlaamse Regering

A.22. Ten aanzien van het tweede middel verwijst de Vlaamse Regering naar de memorie van de Franse Gemeenschapsregering en, wat de actieve vrijheid van onderwijs en de vrijheid van vereniging betreft, verwijst zij naar de overwegingen B.17 tot B.22.4 van het arrest nr. 44/2005 betreffende het Vlaamse decreet dat het hoger onderwijs in Vlaanderen herstructureert door te voorzien in « associaties » tussen instellingen van hoger onderwijs, in het bijzonder het voorbehoud van grondwetsconforme interpretatie met betrekking tot de associaties die bestaan uit publiekrechtelijke en privaatrechtelijke partners. Voor het overige is de Vlaamse Regering van mening dat de verzoekende partijen geen specifieke schending van artikel 24, § 5, van de Grondwet aanvoeren.

Memories van wederantwoord van de « Université libre de Bruxelles » en van de « Académie universitaire Wallonie-Bruxelles »

A.23.1. De tussenkomende partijen herinneren aan het arrest nr. 38/94 en zijn in hoofdorde van mening dat het eerste middel niet ontvankelijk is, daar de verzoekende partijen niet aantonen dat hun situatie rechtstreeks en ongunstig wordt geraakt. De bestreden bepalingen zijn immers bedoeld om te worden toegepast op de universitaire instellingen en de academies, en niet op de leden van hun personeel, zodat alleen de « Université de Liège » per hypothese zou kunnen stellen dat zij door de in het geding zijnde bepalingen wordt benadeeld; het verband tussen de bestreden normen en de verzoekende partijen is bijgevolg indirect.

A.23.2. In ondergeschikte orde is het eerste middel niet gegrond, waarbij de verzoekende partijen overigens niet het beginsel zelf van de territoriale beperking van de bevoegdheden betwisten. Het belang van de verzoekende partijen valt samen met dat van de « Université de Liège », waarvan de Franse Gemeenschap de inrichtende macht is : het bestreden decreet vormt slechts een zelfbeperking van de Franse Gemeenschap bij de organisatie van haar eigen onderwijs, zodat de vrijheid van onderwijs niet zou kunnen zijn geschonden.

A.23.3. Ook al zou de vrijheid van onderwijs te dezen kunnen worden aangevoerd, toch vormen de bestreden bepalingen een adequate en relevante beperking van die vrijheid. Het bestreden decreet beoogde immers de « Bologna-verklaring » toe te passen, wat een wijziging van de structuren van het hoger onderwijs inhield. In dat kader tracht de geografische beperking van de bevoegdheden een evenwicht tot stand te brengen tussen, enerzijds, de wil van de universiteiten om hun zichtbaarheid te verbeteren en de noodzaak om een nabijgelegen gediversifieerd opleidingsaanbod te organiseren en, anderzijds, de zorg om de beschikbare budgettaire limieten in acht te nemen.

A.23.4. Die geografische beperking is evenredig, vermits de wetgever ervoor heeft gezorgd het basisaanbod van de opleidingen - alleen de eerste twee cycli zijn immers bij de geografische bevoegdheden betrokken - op coherente wijze te verdelen over het grondgebied van de Franse Gemeenschap, waarbij de regeling van de geografische bevoegdheden in het algemeen overigens alleen kan worden begrepen samen met de regeling van de samenwerkingen, academies, partnerships en fusies, die bij het bestreden decreet wordt ingericht. In dat opzicht is de academie die rond de « Université de Liège » is opgericht, gespreid over drie van de vijf provincies van de Franse Gemeenschap en kan de « Université de Liège » partnerships of verenigingen vormen met andere instellingen van hoger onderwijs, zodat zij niet geografisch is « beperkt » tot alleen de kantons waarvoor zij bevoegd is om een universitair basisonderwijs in te richten.

A.23.5. De geografische beperking van de bevoegdheden is niet in tegenstrijd met de opdrachten van het hoger onderwijs, die passen in een perspectief van mobiliteit, samenwerking en internationale uitwisselingen, en zal de « Université de Liège » niet beletten een Europese dimensie aan te nemen. De verplichting om op het hele grondgebied van de gemeenschappen een neutraal onderwijs in te richten, betreft overigens alleen het verplicht onderwijs en niet het hoger onderwijs : alleen het feit dat de « Université de Liège » een universiteit is waarvan de Franse Gemeenschap de inrichtende macht is, zou dus niet verantwoorden dat haar ter zake een specifieke behandeling wordt toegestaan. Ten slotte vormen de kieskantons een objectief en relevant criterium om de geografische bevoegdheden toe te kennen, die bovendien overeenstemmen met de situatie die vóór de aanneming van het decreet bestond.

A.24.1. De tussenkomende partijen zijn in hoofdorde van mening dat het tweede middel bij ontstentenis van belang onontvankelijk is, daar, enerzijds, het belang onvoldoende geïndividualiseerd is, zodat de beroepen zich niet onderscheiden van een actio popularis en, anderzijds, het verband tussen de situatie van de verzoekende partijen en de bestreden normen onrechtstreeks is.

A.24.2. In ondergeschikte orde zijn de tussenkomende partijen van mening dat het tweede middel niet gegrond is, waarbij zij herinneren aan de motieven van de decreetgever, volgens welke artikel 24, § 2, van de Grondwet te dezen niet van toepassing is. Het doel van het decreet bestaat immers erin een juridisch kader te scheppen voor interuniversitaire samenwerkingen die reeds vóór de aanneming van het decreet bestonden en niet de bevoegdheid om onderwijs in te richten aan een autonoom orgaan te delegeren : ook al verkrijgen de academies eigen opdrachten, toch beschikken de rectoren van elke universiteit over een vetorecht en moet elke beslissing van de academie worden bekrachtigd door de raden van beheer van de betrokken universiteiten.

Wanneer hij de tweede paragraaf van artikel 24 heeft aangenomen, wilde de Grondwetgever tegemoet komen aan de wil van de Vlaamse Gemeenschap om, als inrichtende macht, haar bevoegdheden inzake de organisatie van het onderwijs van de Staat over te dragen aan een autonoom orgaan, wat zij bij bijzonder decreet heeft gedaan ten gunste van de Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs (ARGO). Uit het voornemen van de Grondwetgever blijkt duidelijk dat het orgaan waaraan de bevoegdheden zijn gedelegeerd, in de plaats moet treden van de regering van de betrokken gemeenschap, wat niet het geval is voor de academies : in zoverre zij de interuniversitaire samenwerkingen formaliseren, treden de academies niet in de plaats van de Franse Gemeenschapsregering, die inzake hoger onderwijs als inrichtende macht volledig bevoegd blijft; de « Université de Liège » behoudt haar individualiteit, haar rechtspersoonlijkheid en haar statuten.

A.25.1. De tussenkomende partijen zijn van mening dat het tweede onderdeel van het tweede middel een derde middel vormt en zijn in hoofdorde van mening dat de verzoekende partijen niet beschikken over een rechtstreeks en persoonlijk belang bij dat middel, daar zij zich ertoe beperken de schending van de vrijheid van vereniging van de universiteiten en niet van hun eigen vrijheid van vereniging aan te voeren. Het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State, waarop de verzoekende partijen volledig steunen, betrof overigens de vrijheid van vereniging van de vrije universiteiten, terwijl de verzoekende partijen lid zijn van een universiteit die onder de Franse Gemeenschap ressorteert.

A.25.2. In ondergeschikte orde zijn de tussenkomende partijen van mening dat het middel niet gegrond is, vermits uit een vaste rechtspraak van het Hof voortvloeit dat de vrijheid van vereniging de decreetgever niet belet de toekenning van overheidssteun aan bepaalde voorwaarden te koppelen. Het is objectief en relevant om de universitaire instellingen te verbieden deel uit te maken van meerdere academies, aangezien het doel van de wetgever erin bestaat de zichtbaarheid van de leden van de academie in het kader van de Europese ruimte van het hoger onderwijs te bevorderen. Ten slotte worden de bepalingen die de bevoegdheden van de academies en de financieringswijze ervan vaststellen, niet door het middel beoogd, zodat de vernietiging van de aangeklaagde bepaling niet van dien aard zou zijn dat zij aan de grief van de verzoekende partijen tegemoet zou komen.

- B -

Ten aanzien van de bestreden bepalingen

B.1.1. Artikel 37, § 1, van het decreet van de Franse Gemeenschap van 31 maart 2004 betreffende de organisatie van het hoger onderwijs ter bevordering van de integratie in de Europese ruimte van het hoger onderwijs en betreffende de herfinanciering van de universiteiten (hierna : decreet van 31 maart 2004), bepaalt :

14

« De bevoegdheid om universitaire studies te organiseren en om academische graden toe te kennen die ze bekronen, is toegestaan aan een universitaire instelling of een universitaire academie. Onder de bevoegdheid valt een studiecyclus, maar ook de sites waar deze studies kunnen worden georganiseerd, met uitzondering van de werkzaamheden voor de voorbereiding van een doctoraal proefschrift.

Een site is een geografische locatie met infrastructuren die door instellingen voor hoger onderwijs wordt gebruikt voor hun activiteiten. Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en elk kieskanton van het Waals Gewest worden beschouwd als afzonderlijke sites.

Een instelling kan een deel van de leeractiviteiten organiseren buiten deze gedefinieerde sites, in zoverre deze gedecentraliseerde activiteiten geen 15 studiepunten overschrijden per studiecyclus en nooit een splitsing van het onderricht veroorzaken ».

B.1.2. Artikel 38, vijfde lid (vierde lid in de Nederlandse vertaling), van hetzelfde decreet bepaalt :

« Bijlage III van het huidige decreet definieert de bevoegdheden van deze voorbereidende curricula vanaf het academiejaar 2004-2005 ».

B.1.3. Bijlage III, « Bevoegdheden om studiecycli aan de universiteit in te richten », van hetzelfde decreet legt, vanaf het academiejaar 2004-2005, de in artikel 38 van het decreet bedoelde lijst vast van de aan de universiteiten toegekende bevoegdheden betreffende de studies van de voorbereidende eerste en tweede cyclus, overeenkomstig bijlage I, en bepaalt de geografische bevoegdheden als volgt :

Afkorting

Universitaire instelling

Sites

Ulg

Université de Liège

1. Kantons Luik, Aywaille, Herstal, Seraing en Fléron

2. Kanton Aarlen

UCL

Université catholique de Louvain

1. Kanton Waver

2. Brussels Hoofdstedelijk Gewest

3. Kanton Charleroi

ULB

Université libre de Bruxelles

1. Brussels Hoofdstedelijk Gewest

2. Kanton Nijvel

3. Kanton Charleroi

4. Kanton Bergen

UMH

Université de Mons-Hainaut

1. Kanton Bergen

2. Kanton Charleroi

FSAGx

Faculté universitaire des Sciences agronomiques de Gembloux

1. Kanton Gembloux

2. Kanton Charleroi

15

FUNDP

Facultés universitaires Notre-Dame de la paix à Namur

1. Kanton Namen

2. Kanton Charleroi

FPMs

Faculté polytechnique de Mons

1. Kanton Bergen

2. Kanton Charleroi

FUSL

Facultés universitaires Saint-Louis

1. Brussels Hoofdstedelijk Gewest

FUCaM

Facultés universitaires catholiques de Mons

1. Kanton Bergen

2. Kanton Charleroi

B.2. Artikel 67 van hetzelfde decreet bepaalt :

« Binnen de context van zijn onderwijsactiviteiten, moet elke verantwoordelijke voor onderwijs genieten van de academische vrijheid in het uitoefenen van deze opdracht. Dit houdt de keuze in van de pedagogische middelen, de wetenschappelijke en technische inhoud, de evaluatie en de diverse activiteiten die worden gehouden om de bijzondere doelstellingen te behalen - bedoeld in artikel 63, § 3 - van dit onderricht binnen het studieprogramma. Deze vrijheid wordt beoefend binnen het respect voor de bepalingen van dit decreet ».

B.3.1. Titel IV van hetzelfde decreet, bestaande uit de artikelen 90 tot 112, betreft de samenwerking tussen universiteiten in de vorm van universitaire academies (hoofdstuk I), fusies van universiteiten (hoofdstuk II) of partnerschappen met andere instellingen (hoofdstuk III).

B.3.2. In zoverre zij de universitaire academies betreffen en daarmee een onlosmakelijk geheel zouden vormen, worden tevens de artikelen 6, § 1, 7, 14, § 1, 17, § 2, 37, §§ 1 en 2, 40, 41, 48, 66, 68, § 3, 71, 83, § 1, 87, 117, § 1, 122, 125, § 2, 159, § 2, 190 en bijlage IV van hetzelfde decreet aangevochten.

B.4.1. Artikel 138 van hetzelfde decreet wijzigt artikel 21 van de wet van 28 april 1953 betreffende de inrichting van het universitair onderwijs door de Staat als volgt :

« 1° § 1 wordt vervangen door de volgende bepaling :

‘ Tot het onderwijzend personeel behoren de gewone hoogleraren, de buitengewone hoogleraren, de hoogleraren en de docenten. ’

2° § 2 wordt vervangen door de volgende bepaling :

‘ De Raad van Beheer bepaalt de opdracht van elk lid van het onderwijzend voltijds of deeltijds personeel en duidt het of de organen aan waartoe het personeelslid behoort. De Raad deelt deze beslissing mee aan de Regering. ´

3° alinea 3 van § 5 wordt ingetrokken;

4° § 8 wordt vervangen door de volgende bepaling :

‘ Zonder afbreuk te doen aan artikel 32, bepaalt de Raad van Beheer, voor een beperkte duur die hij bepaalt en die geen vijf jaar overschrijdt, de inhoud van de opdracht van elk lid van het onderwijzend korps, met name de toegekende cursussen, de onderzoeksactiviteiten en de dienstverlening voor de gemeenschap.

De inhoud van de opdracht wordt voor de eerste keer bepaald bij de benoeming. Ze wordt herzien en eventueel aangepast aan het einde van elke periode, volgens een algemeen reglement opgesteld door de Raad van Beheer en aangenomen door een tweederde meerderheid van de aanwezige leden.

De vernieuwing of de verandering van de inhoud van de opdracht gebeurt na de mening van de betrokkene en/of van de organen waaronder de opdracht valt.

De beslissing van de Raad van Beheer wordt meegedeeld aan de betrokkene. ´ ».

B.4.2. Artikel 139 van hetzelfde decreet wijzigt artikel 22, § 1, van de wet van 28 april 1953 betreffende de inrichting van het universitair onderwijs door de Staat als volgt :

« De Raad van Beheer benoemt de leden van het onderwijzend personeel binnen één van de domeinen opgesomd in artikel 31 van het decreet van 31 maart 2004 betreffende de vaststelling van het hoger onderwijs ter bevordering van de integratie in de Europese ruimte voor het hoger onderwijs en betreffende de herfinanciering van de universiteiten.

Zonder afbreuk te doen aan de bijzondere voorwaarden vastgelegd in deze wet, kan niemand worden benoemd als docent als hij geen houder is van een doctoraal diploma met proefschrift. De vrijstellingen in verband met deze voorwaarde kunnen, na advies van het orgaan waaronder de opdracht valt, worden toegestaan door de Raad van Beheer in uitzonderlijke omstandigheden die deugdelijk zijn gemotiveerd.

Zonder afbreuk te doen aan de bijzondere voorwaarden vastgesteld door deze wet, kan niemand tot gewoon hoogleraar worden benoemd nadat hij de leeftijd van zestig jaar heeft bereikt.

De rector meldt de beslissing van de benoeming aan de Regering binnen de acht dagen die volgen op de deliberatie van de Raad van Beheer. De Regering keurt de benoeming goed binnen een termijn van veertig dagen volgend op het versturen van de verwittiging van de beslissing door de Rector. Na deze termijn wordt de goedkeuring als toegestaan beschouwd. De rector licht de Raad van Beheer erover in tijdens de volgende sessie; hij meldt ook de goedkeuring van de beslissing aan de betrokkene en vraagt de publicatie ervan aan in het Staatsblad.

De benoeming gaat van kracht ten vroegste op de eerste dag van de maand die volgt op de beslissing van de Raad van Beheer ».

B.4.3. Artikel 141 van hetzelfde decreet wijzigt artikel 31 van de wet van 28 april 1953 betreffende de inrichting van het universitair onderwijs door de Staat als volgt :

« 1° in § 1, alinea 1, worden de woorden ‘ , § 1, en de benamingen bedoeld in artikel 22, § 2, ´ toegevoegd tussen de woorden ‘ artikel 22 ´ en ‘ die de graad vermelden ´;

2° de alinea's 2 tot 5 van § 1 worden ingetrokken;

3° alinea 6 van § 1 wordt vervangen door :

‘ In geval van werkvakantie, worden de inhoud van de oproep voor kandidaten alsook de termijn voor het indienen van de kandidaturen vastgesteld door de Raad van Beheer. ´

4° alinea 7 van § 1 wordt ingetrokken ».

B.4.4. Artikel 142 van hetzelfde decreet wijzigt artikel 32 van de wet van 28 april 1953 betreffende de inrichting van het universitair onderwijs door de Staat als volgt :

« 1° in § 1 worden de woorden ‘ het besluit ´ vervangen door ‘ de mening ´;

2° § 2 wordt opgeheven ».

B.4.5. Artikel 161 van hetzelfde decreet bepaalt :

« Voor de toepassing van artikel 21, § 8, van de wet van 28 april 1953 over de organisatie van universitair onderwijs door de Staat, zoals aangepast door dit huidige decreet, wordt voor de leden van het onderwijzend personeel benoemd op de datum van inwerkingtreding van dit decreet, de inhoud van de opdracht zoals ze bestaat aan de vooravond van deze datum bevestigd voor een periode van minstens drie jaar en maximum vijf jaar, vanaf deze datum ».

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de beroepen

B.5.1. De verzoekende partijen, die allen hoogleraar, docent, assistent of onderzoeker aan de « Université de Liège » zijn, voeren zowel een persoonlijk als een functioneel belang aan om de vernietiging voor het Hof te vorderen.

B.5.2. De Franse Gemeenschapsregering betwist het belang van de verzoekende partijen om in rechte te treden.

B.6. De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt.

B.7. Het decreet van de Franse Gemeenschap van 31 maart 2004 strekt ertoe het hoger onderwijs te doen evolueren naar een grotere algemene samenhang :

« Het gaat erom zeer natuurlijke ontwikkelingen aan te geven, die volgen uit de toename van de omvang van de kennis en het verschijnen van actieve methodes in het onderwijs, enerzijds, en die worden beïnvloed door de democratisering van dat onderwijs, anderzijds. Het gaat ook erom de grondslagen te leggen van de samenwerking tussen instellingen, vooral tussen universitaire instellingen, die nog steeds afhankelijk zijn van de in de wetten van 1911 en 1971 vastgestelde structuren. Hierdoor gaat het eveneens erom op positieve wijze deel te nemen aan het openstellen (of opnieuw openstellen) van een Europese ruimte van het hoger onderwijs, waarvan de gemeenschappelijke doelstellingen worden uitgewerkt op basis van opeenvolgende verklaringen van Europese Staten die willen samenwerken om die ruimte tot stand te brengen, de onderlinge erkenning en de academische mobiliteit te bevorderen, en van de voor Europa kenmerkende culturele diversiteit een extra troef in het voordeel van de studenten te maken » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2003-2004, nr. 498/1, p. 2).

Die openstelling van de Europese ruimte van het hoger onderwijs wordt doorgaans het « Bologna-proces » genoemd.

B.8.1. De bestreden bepalingen voorzien erin dat, enerzijds, aan de universitaire instellingen de bevoegdheid wordt toegekend om per « site », namelijk een geografische locatie met infrastructuren die door instellingen voor hoger onderwijs voor hun activiteiten wordt gebruikt (artikel 37, § 1), universitaire studiecycli in te richten, waarbij die bevoegdheden worden gedefinieerd in bijlage III van het decreet van 31 maart 2004 (artikel 38, vijfde lid (vierde lid in de Nederlandse vertaling)).

B.8.2. In titel IV « Samenwerking tussen universiteiten » voorzien zij, anderzijds, in de oprichting van universitaire academies (artikelen 90 tot 106), alsook in de mogelijkheid van fusies van universiteiten (artikelen 107 tot 110) of van partnerschappen met andere instellingen (artikelen 111 en 112).

B.8.3. Ten slotte definiëren zij de academische vrijheid van iedere verantwoordelijke voor onderwijs (artikel 67) en wijzigen zij de wet van 28 april 1953 « betreffende de inrichting van het universitair onderwijs door de Staat », op het vlak van de wijze van benoeming (artikelen 139 en 141) alsook door te voorzien in het beginsel van de tijdelijke toewijzing van de inhoud van de lesopdrachten - of het beginsel van de « detitularisering » - (artikel 138), waarbij de betrokkene, wanneer zijn opdracht wordt gewijzigd, alleen om advies wordt gevraagd (artikel 142). Het beginsel van de « detitularisering » is van toepassing op de leden van het onderwijzend personeel die benoemd zijn op de datum van inwerkingtreding van het decreet van 31 maart 2004, waarbij de inhoud van de aan de vooravond van die datum bestaande opdracht wordt bevestigd voor een periode van minstens drie jaar en maximum vijf jaar (artikel 161).

B.9.1. De verzoekende partijen zijn van mening dat zij door de bestreden bepalingen rechtstreeks en ongunstig worden geraakt en voeren, ter ondersteuning van hun persoonlijk belang, aan dat het bestreden decreet hun situatie grondig wijzigt doordat, enerzijds, het gevaar bestaat dat de structuur van het onderwijs wordt gewijzigd, daar de universitaire academies niet over eigen personeel beschikken, en, anderzijds, het ambt van lesgever wordt losgekoppeld van de toegewezen lesopdracht.

B.9.2. Ter ondersteuning van hun functioneel belang voeren zij tevens aan dat de geografische beperking van de « Université de Liège » of de beperking van de vrijheid van vereniging van de universiteiten door de oprichting van de universitaire academies, afbreuk kunnen doen aan de prerogatieven die zijn verbonden aan hun ambt van hoogleraar, docent, assistent of onderzoeker aan de « Université de Liège ». Door te eisen dat de academische vrijheid wordt beoefend « binnen het respect voor de bepalingen van dit decreet » zou artikel 67 van het decreet overigens een rechtstreeks verband tot stand brengen tussen de situatie van de verzoekende partijen en alle in de beroepen beoogde bepalingen.

B.10.1. Zonder dat het noodzakelijk is om na te gaan of het door de verzoekende partijen aangevoerde functioneel belang onderscheiden is van hun persoonlijk belang, stelt het Hof vast dat de verzoekende partijen, die hoogleraar of docent zijn, bij de uitoefening van hun beroep rechtstreeks en ongunstig kunnen worden geraakt door de bepalingen betreffende de academische vrijheid en de toewijzing, hernieuwing of wijziging van de lesopdrachten.

Zij doen bijgevolg blijken van het vereiste belang om de vernietiging van die bepalingen te vorderen.

B.10.2. In zoverre zij in rechte treden in de hoedanigheid van hoogleraar, docent, assistent of onderzoeker, alsook op persoonlijke titel, worden de verzoekende partijen daarentegen niet rechtstreeks en ongunstig geraakt door bepalingen die aan de instellingen voor hoger onderwijs geografische bevoegdheden toekennen of die voorzien in vormen van samenwerking tussen universiteiten. Dergelijke bepalingen kunnen hun situatie weliswaar indirect beïnvloeden, maar het is de universiteit zelf die rechtstreeks door die bepalingen wordt getroffen.

Ten aanzien van die bepalingen doen zij dus niet blijken van het rechtens vereiste belang.

Voor het overige volstaat artikel 67, door te bepalen dat de academische vrijheid wordt uitgeoefend « binnen het respect voor de bepalingen van dit decreet », niet om een rechtstreeks verband tot stand te brengen tussen de situatie van de verzoekende partijen en alle bepalingen van het decreet.

B.10.3. De beroepen zijn derhalve alleen ontvankelijk in zoverre ze zijn gericht tegen de artikelen 67, 138, 139, 141, 142 en 161 van het decreet van 31 maart 2004; voor het overige zijn ze onontvankelijk bij ontstentenis van belang.

B.11. Bovendien stelt het Hof vast dat, ten aanzien van die bepalingen, de in de verzoekschriften uiteengezette grieven alleen zijn gericht tegen de artikelen 67, 138, 142 en 161 van het decreet van 31 maart 2004, waarmee artikel 141 onlosmakelijk is verbonden; het beperkt zijn onderzoek dus tot die bepalingen.

Bijgevolg kunnen het eerste en het tweede middel niet worden onderzocht.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de tussenkomsten

B.12.1. De « Université libre de Bruxelles » en de « Académie universitaire Wallonie-Bruxelles » hebben memories van tussenkomst ingediend. Zij zijn van mening dat zij doen blijken van een belang bij de handhaving van de bestreden bepalingen.

B.12.2. Het belang van een tussenkomende partij onderscheidt zich van het belang van de verzoekende partij : het bestaat bij elke persoon die door de beslissing van het Hof met betrekking tot de bestreden norm in zijn situatie rechtstreeks kan worden geraakt.

B.13.1. Volgens de statuten van de « Université libre de Bruxelles » bestaat de opdracht van die universiteit met name in het ontwikkelen, overbrengen en toepassen van kennis door wetenschappelijk onderzoek en onderwijs, zonder enige politieke of ideologische belemmering.

B.13.2. De « Académie universitaire Wallonie-Bruxelles » is opgericht ter uitvoering van het decreet van 31 maart 2004 en bestaat uit de « Université libre de Bruxelles », de « Université de Mons-Hainaut » en de « Faculté polytechnique de Mons ».

Op grond van artikel 91 van het decreet van 31 maart 2004 beschikt zij over een eigen vermogen en een rechtspersoonlijkheid die onderscheiden is van die van de instellingen die lid ervan zijn.

Volgens haar statuten en overeenkomstig de artikelen 99 en volgende van het decreet van 31 maart 2004 bestaat de opdracht van de « Académie universitaire Wallonie-Bruxelles » met name in het organiseren van opleidingen en studieprogramma’s en in het uitreiken van de diploma’s die overeenstemmen met de studies die zij organiseert en waarvoor zij bevoegd is.

B.13.3. De « Université libre de Bruxelles » en de « Académie universitaire Wallonie-Bruxelles » doen blijken van een belang om tussen te komen in beroepen die zijn gericht tegen decretale bepalingen die de structuur van het hoger onderwijs wijzigen door te voorzien in de toekenning, aan de universitaire instellingen, van geografische bevoegdheden om studiecycli te organiseren en samenwerking tussen universiteiten in de vorm van universitaire academies tot stand te brengen.

Zij doen daarentegen niet blijken van een belang om tussen te komen in het kader van beroepen die zijn gericht tegen een decretale bepaling met betrekking tot het uitoefenen van de academische vrijheid of tegen decretale bepalingen die de wet van 28 april 1953 betreffende de inrichting van het universitair onderwijs door de Staat wijzigen, daar zij niet aan het toepassingsgebied van die wet zijn onderworpen.

B.14. Aangezien het belang van de tussenkomende partijen is beperkt tot de bepalingen van het decreet betreffende de geografische bevoegdheden en de oprichting van de universitaire academies, zijn de tussenkomsten niet ontvankelijk, vermits de gedeeltelijke onontvankelijkheid van de beroepen tot vernietiging, bij ontstentenis van belang, zoals uiteengezet in B.10.2 en B.10.3, leidt tot die van de tussenkomsten die daarop betrekking hebben.

Ten gronde

Ten aanzien van het derde middel

B.15. Het derde middel is afgeleid uit de schending van de academische vrijheid gewaarborgd bij de artikelen 19 en 24 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 13 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, opgenomen onder titel II van de Grondwet voor Europa, en de artikelen 9 en 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, alsook uit de schending van het verbod om aangelegenheden inzake de inrichting van het onderwijs over te dragen, vervat in artikel 24, § 5, van de Grondwet, en van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie gewaarborgd bij de artikelen 10, 11 en 24, § 4, van de Grondwet.

B.16.1. In een eerste onderdeel van het middel zijn de verzoekende partijen van mening dat het bestreden decreet afbreuk doet aan de fundamentele vrijheid die de academische vrijheid is, vermits die vrijheid in die zin is opgevat dat zij wordt uitgeoefend « binnen het respect voor de bepalingen van dit decreet » en vermits de bestreden bepalingen voortaan voorzien in de tijdelijke toewijzing van de lesopdrachten en de waarborgen opheffen die de lesgever geniet wanneer zijn opdracht wordt gewijzigd.

B.16.2. In een tweede onderdeel van het middel zijn de verzoekende partijen van mening dat het bestreden decreet, door geen enkele toelichting te geven over de essentiële elementen van de voorwaarden bij het al dan niet hernieuwen van de toegewezen opdracht, artikel 24, § 5, van de Grondwet schendt.

B.16.3. De verzoekende partijen zouden overigens worden gediscrimineerd ten opzichte van de andere ambtenaren, vermits hun opdracht mogelijk niet alleen wordt gewijzigd, maar tevens zonder meer kan worden opgeheven.

B.16.4. Ten slotte zou de onmiddellijke toepassing van het beginsel van de « detitularisering » zonder enige verantwoording twee onderscheiden categorieën van personen, namelijk de reeds benoemde hoogleraren en diegenen die dat nog niet zijn, op identieke wijze behandelen en aldus afbreuk doen aan de gewettigde verwachtingen van de verzoekende partijen, die de bij het decreet ingevoerde wijzigingen niet konden voorzien toen zij voor een universitaire loopbaan hebben gekozen.

B.17. Nu zij verschillende aspecten van de toewijzing, hernieuwing en wijziging van de lesopdrachten bekritiseren, onderzoekt het Hof de twee onderdelen van het middel gezamenlijk.

Ten aanzien van de academische vrijheid

B.18.1. De academische vrijheid houdt het beginsel in volgens hetwelk de lesgevers en de onderzoekers, in het belang zelf van de ontwikkeling van de kennis en van de verscheidenheid van de meningen, een zeer grote vrijheid moeten genieten om onderzoek te verrichten en om in de uitoefening van hun functies hun mening te uiten.

De academische vrijheid vormt dus een aspect van de vrijheid van meningsuiting, gewaarborgd bij zowel artikel 19 van de Grondwet als artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens; zij maakt deel uit van de vrijheid van onderwijs, gewaarborgd bij artikel 24, § 1, van de Grondwet.

B.18.2. Vermits de academische vrijheid begrepen is in twee grondwettelijke bepalingen waarvan het Hof de naleving dient te verzekeren, staat het aan het Hof na te gaan of de in het derde middel bestreden bepalingen de academische vrijheid niet op onevenredige wijze beperken.

B.18.3. Door te bepalen dat « de academische vrijheid wordt geëerbiedigd », bevestigt artikel 13 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, zelfs al heeft dit geen onmiddellijk bindend karakter, overigens ook de academische vrijheid als een « gemeenschappelijke waarde » van de Europese Unie.

Het is ook in het licht van die bepaling dat de in de artikelen 19 en 24, § 1, van de Grondwet vervatte academische vrijheid moet worden geïnterpreteerd.

B.19.1. De academische vrijheid is niet onbeperkt, vermits zij wordt uitgeoefend binnen hetzelfde normatieve kader als de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van onderwijs. De beperkingen van de academische vrijheid moeten bijgevolg worden onderzocht op basis van de voor die twee vrijheden toegelaten beperkingen.

B.19.2. Artikel 10.2 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens bepaalt dat de vrijheid van meningsuiting kan worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, die bij de wet worden voorgeschreven en die in een democratische samenleving nodig zijn voor de bescherming van de doelstellingen van algemeen belang vermeld in die verdragsbepaling. Ook artikel 19 van de Grondwet laat beperkingen toe op de vrijheid van meningsuiting.

B.19.3. Evenzo is de vrijheid van onderwijs, die is gewaarborgd bij artikel 24, § 1, van de Grondwet, niet onbegrensd en staat zij niet eraan in de weg dat de decreetgever, met het oog op het algemeen belang en het verzekeren van de kwaliteit van het met overheidsmiddelen verstrekt onderwijs, bepaalde voorwaarden oplegt die de vrijheid van onderwijs beperken. Dergelijke maatregelen zouden als dusdanig niet kunnen worden beschouwd als een inbreuk op de vrijheid van onderwijs. Dat zou wel het geval zijn wanneer zou blijken dat de concrete beperkingen die aan die vrijheid worden gesteld, niet adequaat of onevenredig zijn ten aanzien van het nagestreefde doel.

B.20.1. Artikel 67 van het decreet van 31 maart 2004 bevestigt de academische vrijheid van « elke verantwoordelijke van een onderricht » « binnen de context van zijn onderwijsactiviteiten » en bepaalt dat die vrijheid « binnen het respect voor de bepalingen van dit decreet » wordt uitgeoefend.

Volgens de memorie van toelichting definieert die bepaling « de draagwijdte van de academische vrijheid van de lesgevers » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2003-2004, nr. 498/1, p. 11) .

B.20.2. Door in een decretale bepaling het beginsel van de academische vrijheid, afgeleid uit de artikelen 19 en 24, § 1, van de Grondwet, opnieuw te bevestigen, kan artikel 67 van het decreet van 31 maart 2004 niet ertoe leiden het toepassingsgebied ervan te beperken. Het zou derhalve niet tot gevolg kunnen hebben een vrijheid die de lesgevers op algemene wijze beschermt, te beperken tot pedagogische keuzes of uitsluitend tot de context van de onderwijsactiviteiten.

B.20.3. Door de uitoefening van de academische vrijheid afhankelijk te maken van « het respect voor de bepalingen van dit decreet » kan artikel 67 van het decreet geen bijkomende beperking invoeren naast die welke voor de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van onderwijs worden aanvaard.

Zo zou het niet ertoe kunnen leiden dat het recht om de bepalingen van het bestreden decreet te bekritiseren of ter discussie te stellen, in het gedrang zou kunnen komen, zonder de vrijheid van meningsuiting van de verantwoordelijken voor onderwijs op onevenredige wijze en zonder redelijke verantwoording te beperken.

B.20.4. Artikel 67 van het bestreden decreet dient dus in die zin te worden geïnterpreteerd dat het zich ertoe beperkt het beginsel van de academische vrijheid, dat voortvloeit uit de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van onderwijs, te herbevestigen door het uitdrukkelijk op te nemen in het kader van de herstructurering van het hoger onderwijs die bij dit decreet wordt georganiseerd.

Aldus geïnterpreteerd, schendt artikel 67 de artikelen 19 en 24, § 1, van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de in het middel vermelde bepalingen, niet.

Ten aanzien van het beginsel van de « detitularisering »

B.21. De academische vrijheid vereist dat de onafhankelijkheid van de lesgevers ten aanzien van de universitaire instelling wordt gewaarborgd door de bepalingen die op hen van toepassing zijn.

Het Hof zal in het licht van die vereiste van onafhankelijkheid van de verantwoordelijken voor onderwijs de regels betreffende de toewijzing, hernieuwing of wijziging van de onderwijsopdrachten in het door de gemeenschap georganiseerde universitair onderwijs moeten onderzoeken.

B.22.1. De artikelen 138, 141, 142 en 161 van het decreet van 31 maart 2004 wijzigen de wet van 28 april 1953 betreffende de inrichting van het universitair onderwijs door de Staat (hierna : wet van 28 april 1953). Die bepalingen zijn gewijd aan « de modernisering van de reglementering van de openbare universiteiten, voornamelijk de bijwerking van verouderde bepalingen in de wet van 1953 » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2003-2004, nr. 498/1, p. 5).

B.22.2. De artikelen 138 en 142 van het decreet van 31 maart 2004 voeren aldus het beginsel van de « detitularisering » in :

« Het lid van het academisch personeel wordt in vast verband benoemd, maar de inhoud van de aan hem toegewezen opdracht wordt regelmatig herzien door de raad van beheer. In geen enkel geval kan die herziening het voltijdse of deeltijdse karakter, noch de titels en de rechten van de lesgever wijzigen, overeenkomstig artikel 32 van de wet van 28 april 1953 » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2003-2004, nr. 498/1, p. 15).

B.22.3. Artikel 161 voorziet in de onmiddellijke toepassing van dat beginsel van « detitularisering » door de inhoud van de opdrachten zoals ze juist vóór de inwerkingtreding van het decreet bestaan, te bevestigen.

B.23.1. Door te voorzien in een tijdelijke toewijzing van de onderwijsopdracht en in een regelmatige herziening van die opdracht, komt artikel 138 van het decreet van 31 maart 2004 tegemoet aan de in de memorie van toelichting vermelde doelstelling om het hoger onderwijs in de Franse Gemeenschap resoluut te plaatsen « in het perspectief van de interne, Europese en internationale mobiliteit » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2003-2004, nr. 498/1, p. 2).

In dat opzicht strekt het beginsel van de « detitularisering » ertoe tegemoet te komen aan een vraag van de « Université de Liège » zelf, teneinde « zich te richten op dezelfde bepalingen die in de vrije universiteiten van toepassing zijn » en systemen van interne mobiliteit te verkrijgen « die een betere organisatie van de universitaire instelling mogelijk kunnen maken » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2003-2004, nr. 498/3, p. 38).

B.23.2. In tegenstelling tot wat de verzoekende partijen aanvoeren, kan het beginsel van de « detitularisering », vervat in artikel 138 van het decreet van 31 maart 2004, niet leiden tot een afschaffing van de opdracht, maar alleen tot een mogelijke wijziging van de inhoud van de opdracht, namelijk « de toegekende cursussen, de onderzoeksactiviteiten en de dienstverlening voor de gemeenschap » (artikel 21, § 8, van de wet van 28 april 1953, vervangen bij artikel 138 van het decreet van 31 maart 2004).

Een eventuele wijziging van de opdracht, zoals wordt gepreciseerd in de in B.22.2 aangehaalde memorie van toelichting, heeft dus geen invloed op de benoeming of de rechten van de lesgever, vermits artikel 32, § 3, van de wet van 28 april 1953, dat bij het decreet van 31 maart 2004 niet is gewijzigd, bepaalt :

« Een wijziging van de opdracht mag niet tot gevolg hebben dat de titels en de rechten waarvan de betrokkenen titularis zijn, worden gewijzigd, tenzij deze ermede instemmen ».

B.23.3. Het beginsel van de « detitularisering » heeft dus niet tot gevolg het door de verzoekende partijen aangevoerde onderscheid tussen de lesgevers en de andere ambtenaren in te voeren.

B.24.1. Gelet op de nagestreefde doelstellingen en op de draagwijdte van het beginsel van de « detitularisering » kan artikel 138 van het decreet van 31 maart 2004 op zich niet worden beschouwd als een onevenredige aantasting van de academische vrijheid, die geen definitieve toewijzing van dezelfde onderwijsopdracht inhoudt.

B.24.2. Er moet evenwel nog worden nagegaan of de voorwaarden voor de toepassing van het beginsel van de « detitularisering » in overeenstemming zijn met artikel 24, § 5, van de Grondwet en of zij de rechten van de lesgevers, en in het bijzonder hun onafhankelijkheid ten aanzien van de universitaire instelling, niet op onevenredige wijze beperken.

B.25.1. Artikel 24, § 5, van de Grondwet drukt de wil van de Grondwetgever uit om aan de bevoegde wetgever de zorg voor te behouden een regeling te treffen voor de essentiële aspecten van het onderwijs, wat de inrichting, erkenning of subsidiëring ervan betreft, doch verbiedt niet dat onder bepaalde voorwaarden opdrachten aan andere overheden worden toevertrouwd.

Die grondwettelijke bepaling vereist dat de door de decreetgever verleende delegaties alleen betrekking hebben op de tenuitvoerlegging van de door hem vastgestelde beginselen. De gemeenschapsregering of een andere overheid zou daarmee de onnauwkeurigheid van die beginselen niet kunnen opvangen of onvoldoende omstandige beleidskeuzes niet kunnen verfijnen.

B.25.2. Door te bepalen dat de herziening en de eventuele wijziging van de inhoud van de opdracht gebeuren « volgens een algemeen reglement opgesteld door de Raad van Beheer en aangenomen door een tweederde meerderheid van de aanwezige leden », draagt de decreetgever geen enkel wezenlijk bestanddeel van de organisatie van het onderwijs over, maar vertrouwt hij integendeel de zorg om de voorwaarden inzake de hernieuwing en de eventuele wijziging van de opdracht te bepalen, toe aan het orgaan dat het meest geschikt is om de vereisten voor de goede werking van de universitaire instelling te beoordelen.

B.25.3. Artikel 142 van het decreet is in dat opzicht het gevolg van de keuze van de decreetgever om aan de raad van beheer de zorg over te laten om de waarborgen te bepalen inzake de hernieuwing en de eventuele wijziging van de opdracht, door sommige waarborgen op te heffen die in artikel 32, § 2, van de wet van 28 april 1953 waren opgenomen en die in tegenspraak met het beginsel van de « detitularisering » konden blijken te zijn.

B.25.4. Het decreet zelf voert echter een zeker aantal wezenlijke waarborgen voor de betrokkene in, vermits de artikelen 138 en 142 van het decreet bepalen dat de hernieuwing en de eventuele wijziging van de lesopdracht gebeuren na de mening van de betrokkene en van het of de organen waaronder de opdracht valt.

Zoals in B.23.2 eraan is herinnerd, waarborgt het onveranderd gebleven artikel 32, § 3, van de wet van 28 april 1953 bovendien de rechten van de betrokkene indien de opdracht eventueel wordt gewijzigd.

B.25.5. Artikel 138 van het bestreden decreet bepaalt dat de herziening en eventuele wijziging van de inhoud van de opdracht gebeuren volgens een algemeen reglement dat is opgesteld door de raad van beheer en dat is aangenomen door een tweederde meerderheid van de aanwezige leden.

Wanneer de betrokkene niet instemt met een voorstel van wijziging van de inhoud van de opdracht, is het noodzakelijk dat dat reglement specifieke procedurele waarborgen bevat die kunnen voorkomen dat die wijziging in werkelijkheid een dreigement of een drukmiddel vormt die de academische vrijheid belemmert en afbreuk doet aan de onafhankelijkheid van de lesgevers ten aanzien van de universitaire instelling.

B.25.6. Die waarborgen volstaan overigens opdat de onmiddellijke toepassing van het beginsel van de « detitularisering » waarin artikel 161 van het decreet van 31 maart 2004 voorziet, niet op discriminerende wijze afbreuk zou doen aan de gewettigde verwachtingen van de verzoekende partijen, die overigens, onder de gelding van de vroegere regeling, geen aanspraak konden maken op het feit dat de inhoud van de aan hen toegewezen opdracht in geen geval zou kunnen worden gewijzigd.

B.25.7. Rekening houdend met hetgeen voorafgaat en onder voorbehoud van de interpretatie vermeld in B.25.5, zijn de voorwaarden inzake de toepassing van het beginsel van de « detitularisering » niet in strijd met artikel 24, § 5, van de Grondwet, noch met de academische vrijheid die in de artikelen 19 en 24, § 1, van de Grondwet wordt gewaarborgd.

B.26. Het derde middel is niet gegrond.

Om die redenen,

Het Hof

verwerpt de beroepen, onder voorbehoud van de in B.20.4 en B.25.5 vermelde interpretaties.

Aldus uitgesproken in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 23 november 2005.

De griffier De voorzitter

P.-Y. Dutilleux M. Melchior