Monday, December 19, 2005

voorontwerp decreet betreffende de lerarenopleiding in Vlaanderen



Vlaamse Regering




Voorontwerp van decreet betreffende de lerarenopleidingen in Vlaanderen





DE VLAAMSE REGERING,




Op voorstel van de minister-president van de Vlaamse Regering en de Vlaamse minister van Werk, Onderwijs en Vorming;


Na beraadslaging,



BESLUIT:



De Vlaamse minister van Werk, Onderwijs en Vorming is ermee belast, in naam van de Vlaamse Regering, bij het Vlaams Parlement het ontwerp van decreet in te dienen, waarvan de tekst volgt:



Hoofdstuk I. Inleidende bepaling


Artikel 1. Dit decreet regelt een gemeenschapsaangelegenheid.


Hoofdstuk II. Wijziging van het decreet van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap


Art. 2. In het decreet van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap worden de volgende artikelen opgeheven:


1° artikel 7 bis en 15 bis, ingevoegd bij het decreet van 16 april 1996;


2° artikel 33, gewijzigd bij het decreet van 16 april 1996;


3° artikel 40, gewijzigd bij de decreten van 16 april 1996 en 20 april 2001;


4° artikel 43, gewijzigd bij de decreten van 18 mei 1999 , en 20 april 2001 en het besluit van de Vlaamse regering van 14 december 2001.

Art. 3. Aan het decreet van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap, wordt een artikel 130quater toegevoegd dat luidt als volgt:


Art. 130quater, §1. De universiteiten ontvangen met ingang van het begrotingsjaar 2006 gezamenlijk de volgende toelagen als compensatie voor de verhoging van de studieduur van de specifieke lerarenopleiding naar 60 studiepunten, uitgedrukt in euro.


2006

93.967,63

2007

375.870,52

2008

375.870,52

2009

375.870,52



§2. De gezamenlijke toelage wordt verdeeld pro rata van het aantal uitgereikte diploma’s voor de academische initiële lerarenopleiding of volgens het aantal verworven credits..


1° Voor het begrotingsjaar 2006 worden de in het academiejaar 2003-2004 uitgereikte diploma’s gebruikt:


Instelling

totaal

Katholieke Universiteit Leuven

601

Vrije Universiteit Brussel

127

Universiteit Antwerpen

255

Universiteit Hasselt

26

Universiteit Gent

605

Transnationale Universiteit Limburg

17


2° Voor het begrotingsjaar 2007 gebeurt de verdeling pro rata de in het academiejaar 2004-2005 uitgereikte diploma’s.


3° Vanaf het begrotingsjaar 2008 gebeurt de verdeling pro rata het in het afgelopen academiejaar verworven credits.


§3. Deze toelagen worden beschouwd als extra werkingsmiddelen. Zij worden maandelijks per twaalfden ter beschikking gesteld van elke universiteit aan het einde van de maand op die waarop het twaalfde betrekking heeft.


§4. De in §1 vermelde bedragen worden met ingang van het begrotingsjaar 2007 geïndexeerd volgens de indexformule L1/L0 zoals bepaald in artikel 130, §6.”


Hoofdstuk III. Wijziging van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap



Art. 4. In hoofdstuk I, afdeling 4 van titel II van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap, gewijzigd bij de decreten van 15 juli 1997, 14 juli 1998, 18 mei 1999 en 7 mei 2004, wordt onderafdeling 4, bestaande uit artikel 20bis tot en met artikel 20novies, opgeheven.


Art. 5. In artikel 179 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 19 april 1995, 16 april 1996, 8 juli 1996, 15 juli 1997, 18 mei 1999, 22 december 2000, 20 april 2001, 4 maart 2003, 27 juni 2003, 24 december 2004 en bij het besluit van de Vlaamse regering van 14 december 2001 worden de volgende wijzigingen aangebracht:


1° in de explicitering van W wordt « LOAN » geschrapt en vervangen door « SLO » .


2° Punt 12 wordt vervangen door wat volgt: “12° SLO is bestemd voor de financiering van de initiële lerarenopleiding van academisch niveau en de initiële lerarenopleiding dans en met ingang van het academiejaar 2006-2007 ook voor de specifieke lerarenopleidingen van de hogescholen. In 2005 is dit bedrag gelijk aan …….euro. Dit bedrag wordt jaarlijks aangepast op de wijze bepaald in artikel 184 van dit decreet en wordt verdeeld op basis van de in het vorig jaar afgeleverde diploma’s en met ingang van het academiejaar 2006-2007 volgens verworven credits.


3° Punt 13 wordt vervangen door wat volgt: “ 13° VLO is bestemd voor de financiering van de voortgezette lerarenopleidingen of de bachelor-na bacheloropleidingen die hieruit zijn ontstaan. Vanaf het academiejaar 1997-1998 ontvangen de hogescholen die een voortgezette lerarenopleiding organiseren of een bachelor-na bacheloropleiding die hieruit is ontstaan, per in het vorig academiejaar afgeleverd diploma 1661 euro. Als het totale bedrag meer bedraagt dan 1.487.400 euro wordt dit bedrag verdeeld over de hogescholen op basis van de in het vorig jaar afgeleverde diploma's. Deze bedragen worden jaarlijks aangepast op de wijze bepaald in artikel 184 van dit decreet .”


Art. 6.. In hetzelfde decreet wordt een artikel 307 novies toegevoegd, dat luidt als volgt:


Art. 307 novies. §1. Onverminderd de toepassing van de artikelen 92 en 93 is de hogeschool die in toepassing van artikel 55 undecies van het decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen een opleiding van het pedagogisch hoger onderwijs overneemt, verplicht werkgelegenheid te verschaffen aan de leden van het onderwijzend personeel van deze overgenomen opleiding, op voorwaarde dat deze tewerkgesteld zijn geweest in de opleiding, en :

1° ofwel uiterlijk op 30 juni van het kalenderjaar van de overname benoemd werden in hoofdambt of in bijbetrekking in de opleiding ;

2° ofwel in de periode van 1 juni tot en met 30 juni van het kalenderjaar van de overname aangesteld zijn geweest in een vacante betrekking als tijdelijke van doorlopende duur als lid van het onderwijzend personeel in de opleiding en als dusdanig door de Vlaamse Gemeenschap werden bezoldigd in hoofdambt, of het recht op dergelijke aanstelling van doorlopende duur in bedoelde periode konden doen gelden.


De hogeschool is verplicht deze personeelsleden werkgelegenheid te verschaffen naar rato van het volume van de betrekking die zij in de overgenomen opleiding uitoefenden op de laatste dag van hun tewerkstelling in juni van het kalenderjaar van de overname.


§2. De hogeschool wijst de benoemde personeelsleden op het ogenblik van de overname een betrekking toe in een ambt binnen de personeelsformatie naar rato van het volume van de opdracht die zij in de overgenomen opleiding uitoefenden op 30 juni van het kalenderjaar van de overname.

De hogeschool wijst de tijdelijken van doorlopende duur en de gerechtigden op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur op het ogenblik van de overname een betrekking toe in een ambt binnen de personeelsformatie naar rato van het volume van de betrekking die zij in de overgenomen opleiding uitoefenden op de laatste dag van hun tewerkstelling in juni van het kalenderjaar van de overname.


§3. De in paragraaf 1 bedoelde personeelsleden worden vanaf de overname personeelslid van de hogeschool en betaald ten laste van de werkingsuitkeringen van de betrokken hogeschool. De rechtspositieregeling en de bezoldigingsregeling van de personeelsleden van de hogescholen zijn op hen van toepassing, rekening houdend met volgende overgangsmaatregelen:


1° de tijdelijken van doorlopende duur en de gerechtigden op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur behouden de salarisschaal die zij op de laatste dag van hun tewerkstelling in de overgenomen opleiding genoten, tenzij de hogeschool hen inschaalt in een hogere salarisschaal;


2° de benoemde personeelsleden die benoemd waren in de betrokken opleiding, worden op het ogenblik van de overname door de hogeschool benoemde personeelsleden van de hogeschool en behouden de salarisschaal die zij op 30 juni van het kalenderjaar van de overname genoten, tenzij de hogeschool hen inschaalt in een hogere salarisschaal;


3° de personeelsleden die in de periode van 1 juni tot en met 30 juni van het kalenderjaar van de overname een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur hadden of in deze periode een recht op dergelijke aanstelling konden doen gelden, worden op het ogenblik van de overname door de hogeschool tijdelijke personeelsleden van de hogeschool. In afwijking van de artikelen 122,§2 en artikel 231 kan het hogeschoolbestuur de vermelde personeelsleden op hun verzoek benoemen voor het volume van de opdracht waarop zij aanspraak kunnen maken. Elk personeelslid dat wordt benoemd moet in het bezit zijn van het vereiste bekwaamheidsbewijs.”


Hoofdstuk IV. Wijziging van het decreet van 16 april 1996 betreffende de lerarenopleiding en de nascholing


Art.7.. Het opschrift van het decreet van 16 april 1996, betreffende de lerarenopleiding en de nascholing, gewijzigd bij de decreten van 8 juli 1996, 8 juli 1997, 15 juli 1997, 19 december 1998, 22 december 1999, 14 februari 2003 en 19 december 2003, wordt vervangen door wat volgt: “Decreet betreffende het mentorschap en de nascholing in Vlaanderen.”


Art. 8. In hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 8 juli 1996, 8 juli 1997, 15 juli 1997, 19 december 1998, 22 december 1999, 14 februari 2003 en 19 december 2003 wordt titel II, bestaande uit artikel 2 tot en met artikel 9, vervangen door wat volgt:


Titel II.Het mentorschap


Art. 2. § 1. Het mentorschap bestaat uit:

1° ondersteuning van de student tijdens de stage;

2° ondersteuning van de leraar-in-opleiding;

3° aanvangsbegeleiding gedurende het eerste jaar van de beroepsuitoefening als leraar.


§ 2. Elke school zorgt voor voor de ondersteuning van de student tijdens de stage, de ondersteuning van de leraar-in-opleiding en voor de aanvangsbegeleiding van de beginnende leraar. Die taken worden toevertrouwd aan één of meer personeelsleden die belast zijn met het mentorschap.


Art. 3. § 1. De Vlaamse Regering kent jaarlijks binnen het daartoe uitgetrokken begrotingskrediet middelen voor mentorschap toe aan een van de volgende instanties

1° een scholengemeenschap in het basis- of secundair onderwijs;

2° een scholengroep;

3° een samenwerkingsplatform tussen een of meer van de volgende instanties::

- scholengemeenschappen in het basis- of secundair onderwijs

scholengroepen;

- scholen voor gewoon en/of buitengewoon basisonderwijs, voorzover deze niet behoren tot een scholengemeenschap in het basisonderwijs;

- een onderwijsinstelling(en) voor gewoon secundair onderwijs, voorzover deze niet behorentot een scholengemeenschap in het secundair onderwijs;

- onderwijsinstellingen voor buitengewoon secundair onderwijs;

- centra voor volwassenenonderwijs ;

- instellingen voor deeltijds kunstonderwijs.


§ 2. De scholengemeenschap, de scholengroep of het samenwerkingsplatform maakt afspraken of beslist, al naargelang het geval, over de verdeling van de middelen naar de instellingen die tot de scholengemeenschap, de scholengroep of het samenwerkingsplatform behoren.


Art. 4. De middelen worden berekend op basis van criteria, die de Vlaamse Regering vaststelt.


Art. 5. De middelen kunnen enkel worden aangewend voor het oprichten van een of meer betrekkingen in een ambt van het onderwijzend personeel.


Het personeelslid dat in de betrekking, vermeld in het eerste lid, wordt aangesteld, wordt steeds aangesteld als tijdelijk personeelslid. De betrekking kan niet vacant worden verklaard. De inrichtende macht kan in geen geval personeelsleden vast benoemen, affecteren of muteren in die betrekkingen.


Art. 6. Het personeelslid belast met het mentorschap kan ten belope van maximaal een derde van een voltijdse opdracht worden aangesteld in de betrekking vermeld in artikel 5.


Art. 7. De personeelsleden belast met het mentorschap worden geselecteerd in overleg tussen de scholen enerzijds en anderzijds de centra voor volwassenenonderwijs, hogescholen of universiteiten. Zij moeten een mentoren- of een equivalente opleiding volgen.”



Hoofdstuk V. - Wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs



Art. 9. Aan artikel 125novies, §1, van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs, ingevoegd bij decreet van 10 juli 2003, wordt in § 1 een punt 8 toegevoegd dat luidt als volgt:

8° maakt afspraken/beslist over de verdeling van de uren-leraar die bestemd zijn voor mentorschap.”


Hoofdstuk VI. - Wijziging van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs


Art. 10. Aan artikel 71 van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs, gewijzigd bij decreet van 14 februari 2003, wordt een punt 12 toegevoegd dat luidt als volgt:


"12° maakt afspraken/beslist over de verdeling van de uren-leraar die bestemd zijn voor mentorschap.".



Hoofdstuk VII. Wijziging van het decreet van 2 maart 1999 tot regeling van een aantal aangelegenheden van het volwassenenonderwijs



Art. 11. Aan artikel 3, 19° van het decreet van 2 maart 1999 tot regeling van een aantal aangelegenheden van het volwassenenonderwijs, gewijzigd bij decreet van 14 februari 2003, worden de woorden “hetzij een opleiding van het pedagogisch hoger onderwijs heeft doorlopen” geschrapt.



Art. 12.. In hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 18 mei 1999, 20 oktober 2000, 13 juli 2001, 21 december 2001, 14 februari 2003, 19 december 2003, 19 maart 2004, 30 april 2004, 7 mei 2004 en 24 december 2004, worden aan hoofdstuk 3 een afdeling 4 , bestaande uit artikel 12bis tot en met artikel 12novies, en een afdeling 5 toegevoegd bestaande uit artikel 12 decies tot en met artikel 12 duodecies, ingevoegd die luiden als volgt:


Afdeling 4. De opleidingen van het pedagogisch hoger onderwijs


Art. 12bis §1. De opleidingen van het pedagogisch hoger onderwijs georganiseerd door de centra voor volwassenenonderwijs zijn specifieke lerarenopleidingen die leiden tot een diploma van leraar. Daarbij wordt rekening gehouden met het assessment, vermeld in § 5..


§2. De omvang van de specifieke lerarenopleiding bedraagt 60 studiepunten.


§3. De praktijkcomponent van de specifieke lerarenopleiding bedraagt 30 studiepunten en wordt volbracht als een preservicetraining of als een in-servicetraining.


§4. De centra voor volwassenenonderwijs organiseren de praktijkcomponent als preservicetraining in samenwerking met de stagescholen. De preservicetraining wordt begeleid door een personeelslid van het centra, de stagebegeleider genaamd, en een personeelslid van de school, belast met het mentorschap. De centra sluiten een overeenkomst met de stagescholen. Die overeenkomst bevat onder meer de verantwoordelijkheidsverdeling van stageschool, centrum en de cursist, waarbij de rol van de stageschool in de evaluatie van de cursist wordt vastgelegd. Indien er verscheidene stagescholen zijn, wordt ook vastgesteld welke school fungeert als ankerschool, zijnde de school waarlangs de contacten gebeuren.


§5. De in-servicetraining gebeurt in de vorm van een leraar-in-opleidingsbaan, hierna de LIO-baan genoemd, en wordt uitgeoefend in een of meer instellingen van het secundair onderwijs, het deeltijds kunstonderwijs en het volwassenenonderwijs. gedurende een volledig schooljaar.

De LIO-baan moet op jaarbasis ten minste 500 contacturen bedragen. Op het einde van de LIO-baan wordt de cursist gedurende een assessment, voor de in-servicetraining beoordeeld door de school en het centrum. Indien de leraar-in-opleiding er niet in slaagt 500 contacturen te presteren, kan hij dit tekort aanvullen met preservicetraining.

Het centrum, de school en de leraar-in-opleiding sluiten een LIO-baanovereenkomst af. Een LIO-baanovereenkomst is een overeenkomst waarbij een cursist in het kader van lerarenopleiding bepaalde kennis of vaardigheden verwerft in een school door het uitvoeren van arbeidsprestaties. De Vlaamse Regering bepaalt de minimale vormvereisten van deze overeenkomst.


De leraar-in-opleiding wordt aangesteld als tijdelijk personeelslid en moet voldoen aan de voorwaarden, bepaald in artikel 17 van het decreet Rechtspositie gemeenschapsonderwijs en artikel 19 van het decreet Rechtspositie gesubsidieerd onderwijs.


Art. 12ter. In afwijking van artikel 34 moeten de cursisten, die geen diploma secundair onderwijs behaald hebben, een door de Vlaamse Regering vast te leggen brugprogramma volgen. Dit brugprogramma vervangt de in artikel 37 vermelde toelatingsproef.


Art. 12quater §1. De centra voor volwassenenonderwijs kunnen met de universiteiten en hogescholen een overeenkomst sluiten over de gezamenlijke organisatie van de lerarenopleidingen, met name onderwijs- en studieactiviteiten, de kwaliteitszorg en het gebruik van infrastructuur.


§2. De overeenkomsten bedoeld in §1 kunnen worden geïntegreerd in en vervangen door een kaderovereenkomst die de oprichting van een Expertisenetwerk inzake lerarenopleiding tot voorwerp heeft. Een Expertisenetwerk omvat hogescholen, universiteiten en centra voor volwassenenonderwijs.


Hogescholen en universiteiten kunnen enkel binnen een associatie een expertisenetwerk oprichten. Per associatie is slechts één Expertisenetwerk mogelijk. Centra voor volwassenenonderwijs kunnen slechts in één Expertisenetwerk participeren.


§3. Een Expertisenetwerk heeft tot doel de expertise van de verschillende lerarenopleidingen in complementariteit te bundelen en te ontwikkelen, ter verbetering van de kwaliteit van de lerarenopleidingen en ter versterking van de dienstverlening op het vlak van de continue professionalisering van leraren.


§4. De kaderovereenkomst beschrijft in ieder geval:

  • de ontwikkeling van een strategisch beleidsplan betreffende de lerarenopleidingen

  • de samenwerking en profilering van de verschillende lerarenopleidingen, onder meer wat betreft toegankelijkheid en doelgroepenbeleid

  • de ondersteuning en versterking van de lerarenopleidingen op het vlak van onderwijskundig onderzoek door de universiteit

  • de planning van het vakdidactisch onderzoek aan de universiteit

  • de vakdidactische ondersteuning en versterking van de lerarenopleidingen

  • de gezamenlijke organisatie van de praktijkcomponent van de lerarenopleidingen

  • de versterking van de lerarenopleidingen op het vlak van praktijkexpertise en methodiek

  • de versterking van de lerarenopleidingen op het vlak van flexibele leerwegen en aantrekken van zij-instromers

  • de ontwikkeling van een beleidsplan inzake mentorenvorming, de nascholing van leraren en de wetenschappelijke en maatschappelijke dienstverlening inzake professionalisering van leraren

  • de uitwisseling van personeel van de betrokken centra voor volwassenenonderwijs, hogescholen en universiteiten

  • het gebruik van infrastructuur

  • de organisatie van de interne en externe kwaliteitszorg.


§5.. De Vlaamse Regering kan een Expertisenetwerk financieren. De financiering houdt rekening met het totaal aantal diploma’s uitgereikt door de opleidingen van het Expertisenetwerk.


Art. 12 quinquies In afwijking van artikel 15 en 75 bepalen de centra voor volwassenenonderwijs die een samenwerkingsakkoord zoals bedoeld in artikel 12 quater §2 hebben afgesloten met betrekking tot de gezamenlijke organisatie van de lerarenopleidingen, hun opleidingsprogramma op basis van de basiscompetenties en omvat ten minste de twee onderscheiden componenten die ook in de basiscompetenties voorkomen. Het opleidingsprogramma omvat ook een theoretisch gedeelte en een praktijkcomponent.


Art. 12 sexies §1. De Vlaamse Regering bepaalt de omzetting van lesuren naar studiepunten voor de lerarenopleidingen conform de bepalingen in deze afdeling.


§2. Deze lerarenopleidingen zijn niet onderworpen aan de bepalingen van artikel 5bis van de wet van 7 juli 1970 betreffende de algemene structuuur van het hoger onderwijs.


Art. 12 septies De opleidingen van het pedagogisch hoger onderwijs van de centra in kwestie, kunnen, in afwijking van artikel 5 van het decreet van 17 juli 1991 betreffende de inspectie en de pedagogische begeleidingsdiensten, via het in artikel 12 quater §2 vermelde samenwerkingsakkoord de interne en externe kwaliteitszorg gezamenlijk met de hogescholen en universiteiten organiseren.


Art. 12 octies §1. De centra voor volwassenenonderwijs bouwen de opleidingen van het pedagogisch hoger onderwijs af uiterlijk voor …


§2. De centra voor volwassenenonderwijs bouwen de specifieke lerarenopleidingen overeenkomstig de bepalingen van deze afdeling uit vanaf het schooljaar 2006-2007.


§3. Cursisten die uiterlijk in het schooljaar 2005-2006 ingeschreven waren in een opleiding die leidt tot het behalen van het getuigschrift van pedagogische bekwaamheid hebben het recht voor 1 september 2010 die opleiding te voltooien overeenkomstig het decreet van 2 maart 1999 tot regeling van een aantal aangelegenheden van het volwassenenonderwijs.


§4. De centra voor volwassenenonderwijs die deelnemen aan een Expertisenetwerk bepalen de modaliteiten waaronder de cursisten, bedoeld in §3, het diploma van leraar kunnen behalen.

Art. 12 novies De Vlaamse Regering kan initiatieven nemen met betrekking tot de kwaliteitszorg van de lerarenopleidingen door een beleidsevaluatie te organiseren. Een beleidsevaluatie zal onder meer aandacht hebben voor de mate waarin de centra , hogescholen en universiteiten een beleid voeren inzake taalvaardigheid van de cursist of studenten en voor de mate waarin de preservicetraining voorbereidt op de verschillende onderwijsvormen.De resultaten van deze evaluatie zullen worden vastgelegd in een openbaar verslag dat voorgelegd wordt aan het Vlaams Parlement.


Afdeling 5.- Overdracht van GPB-opleidingen in de hogescholen


Art. 12 decies§1. De centra voor volwassenenonderwijs die tijdens het schooljaar 2005-2006 de opleiding van het pedagogisch hoger onderwijs inrichten, kunnen deze opleiding overdragen aan een hogeschool die onderwijsbevoegdheid heeft voor het studiegebied onderwijs . De centra voor volwassenenonderwijs delen ten laatste drie maanden vóór de overdracht aan het Departement Onderwijs mee aan welke hogeschool zij de opleiding wensen over te dragen.


§2. Vanaf het ogenblik dat de centra voor volwassenenonderwijs de in §1 bedoelde opleiding hebben overgedragen aan een hogeschool, verliezen de centra voor volwassenenonderwijs de onderwijsbevoegdheid voor deze opleiding.


§3. De cursisten die ten laatste in het schooljaar voorafgaand aan de overname als regelmatig cursist zijn ingeschreven, hebben het recht de opleiding overeenkomstig de regelgeving voor het hoger onderwijs voor sociale promotie te voltooien op voorwaarde dat zij hun studies niet onderbreken en voldoen aan de voorwaarden inzake financierbaar cursist ;


§4.De centra voor volwassenenonderwijs die deelnemen aan een Expertisenetwerk bepalen de modaliteiten waaronder de cursisten, bedoeld in §3, het diploma van leraar kunnen behalen.


Art. 12 undecies§1. Het aantal lesurencursist van de referteperiode van 1 februari van het kalenderjaar dat voorafgaatnd aan de overname tot 31 januari van het kalenderjaar van de overname van de opleiding die wordt overgedragen naar de hogescholen worden niet in aanmerking genomen voor de berekening van het lestijdenpakket van het overdragende centrum voor volwassenenonderwijs voor het schooljaar dat volgt op de overdracht.


§2. Het aantal lesurencursist van de referteperiode van 1 februari van het kalenderjaar dat voorafgaatnd aan de overname tot 31 januari van het kalenderjaar van de overname van de opleiding die wordt overgedragen naar de hogescholen worden in aanmerking genomen als basis voor de berekening van de ambten bestuurs- en ondersteunend personeel, zoals bedoeld in het besluit van de Vlaamse regering van 1 december 2000 houdende vaststelling van de voorwaarden voor de financiering of subsidiëring van de ambten van het bestuurs- en ondersteunend personeel van de centra voor volwassenenonderwijs, van het overdragende centrum voor volwassenenonderwijs voor het schooljaar dat volgt op de overdracht …………………....


§3. Vanaf de referteperiode van 1 februari van het kalenderjaar van de overname tot en met 31 januari van het kalenderjaar dat volgt op het kalenderjaar van de overname worden de in de §1 en §2 bedoelde aantal lesurencursist geheel of ten dele toegeveogd aan het aantal lesurencursist van het overdragende centrum voor volwassenenonderwijs als basis voor de berekening van de ambten bestuurs- en ondersteunend personeel zolang en voor zover het aantal lesurencursist van het betrokken centrum niet groter wordt dan dit van de referteperiode van 1 februari van het kalenderjaar dat voorafgaat aan de overname tot en met 31 januari van het kalenderjaar van de overname”.


Art.12 duodecies Het decreet van 17 juli 1991 betreffende inspectie en pedagogische begeleidingsdiensten, zoals gewijzigd door het decreet van 13 april 1999 houdt, vanaf het ogenblik van de overdracht, op van toepassing te zijn op de aan de hogescholen overgedragen opleiding van het pedagogisch hoger onderwijs.


Art. 13. In artikel 37 van hetzelfde decreet wordt het tweede lid opgeheven.


Art. 14. In artikel 41, §4, 4° van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 24 februari 2004, worden de woorden ‘met uitzondering van het pedagogisch hoger onderwijs’ geschrapt.






Hoofdstuk VIII. Wijziging van het decreet van 8 juni 2000 houdende dringende maatregelen betreffende het lerarenambt


Art.15 In het decreet van 8 juni 2000 houdende dringende maatregelen betreffende het lerarenambt, gewijzigd bij de decreten van 20 oktober 2000, 13 juli 2001, 20 december 2002, 10 juli 2003 en 7 mei 2004, wordt hoofdstuk Vbis, bestaande uit artikel 43 bis en 43ter, opgeheven.



Hoofdstuk IX. Wijziging van het decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen


Art. 16. In het decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen, gewijzigd bij de decreten van 19 december 2003, 19 maart 2004, 30 april 2004 en 7 mei 2004, wordt een onderafdeling 6, bestaande uit artikel 55 bis tot en met artikel 55 duodecies, ingevoegd, die luidt als volgt:


Onderafdeling 6.- Lerarenopleidingen


Sectie 1. Algemeen


Art. 55bis. Onverminderd de toepassing van artikel 20 bepalen de instellingsbesturen het opleidingsprogramma van de lerarenopleidingen op basis van de basiscompetenties. Het opleidingsprogramma omvat ten minste de twee onderscheiden componenten die ook in de basiscompetenties voorkomen.

Het opleidingsprogramma omvat tevens een theoretisch gedeelte en een praktijkcomponent. De praktijkcomponent van een specifieke lerarenopleiding bedraagt 30 studiepunten.


Art. 55ter. §1. Het beroepsprofiel van de leraar is de omschrijving van de kennis, vaardigheden en attitudes van de leraar bij zijn beroepsuitoefening.


Het beroepsprofiel bevat tenminste de twee volgende basiscomponenten:

1°de voor alle leraarstypes gemeenschappelijke beroepsvereisten op het vlak van kennis, vaardigheden en attitudes;

2° de voor een leraarstype specifieke beroepsvereisten op het vlak van kennis, vaardigheden en attitudes.


§2. De Vlaamse Regering bepaalt het beroepsprofiel van elk leraarstype op advies van de Vlaamse Onderwijsraad. De Vlaamse Regering legt het besluit binnen de zes maand ter bekrachtiging voor aan het Vlaams Parlement. Indien het Vlaams Parlement dit besluit niet bekrachtigt, houdt het op rechtskracht te hebben.


§3. De basiscompetenties van de leraar zijn de omschrijving van de kennis, vaardigheden en attitudes, waarover iedere afgestudeerde moet beschikken om op een volwaardige manier als beginnend leraar te kunnen fungeren. De basiscompetenties stellen de leraar in staat door te groeien naar het beroepsprofiel.


De basiscompetenties worden rechtstreeks afgeleid van het beroepsprofiel en bevatten tenminste de twee basiscomponenten die ook in het beroepsprofiel voorkomen.


§4. De Vlaamse Regering bepaalt de basiscompetenties van elk leraarstype op advies van de Vlaamse Onderwijsraad.



Sectie 2. De geïntegreerde lerarenopleidingen


Art.55quater. §1. De professioneel gerichte bacheloropleidingen in onderwijs zijn geïntegreerde lerarenopleidingen die leiden tot de graad van bachelor in onderwijs, respectievelijk kleuteronderwijs, lager onderwijs en secundair onderwijs. De hogescholen kennen aan de afgestudeerden de betreffende graad toe en reiken het diploma van leraar uit.


§2.De studieomvang van de praktijkcomponent van de geïntegreerde lerarenopleiding 45 studiepunten.


De hogescholen organiseren de praktijkcomponent als preservicetraining in samenwerking met de stagescholen. De preservicetraining wordt begeleid door een personeelslid van de hogeschool, de stagebegeleider genaamd, en een personeelslid van de school, belast met het mentorschap. De hogescholen sluiten een overeenkomst met de stagescholen. Die overeenkomst bevat onder meer de verantwoordelijkheidsverdeling van stageschool, hogeschool en student, waarbij de rol van de stageschool in de evaluatie het assessment van de student wordt vastgelegd. Indien er verscheidene stagescholen zijn, wordt ook vastgesteld welke school fungeert als ankerschool, zijnde de school waarlangs de contacten gebeuren.



§4. De student van de geïntegreerde lerarenopleiding secundair onderwijs kiest twee onderwijsvakken uit de mogelijkheden die de hogeschool aanbiedt : aardrijkskunde, bewegingsrecreatie, bio-esthetiek, biologie, biotechnieken, bouw, chemie, Duits, economie, elektriciteit, Engels, Frans, fysica, geschiedenis, godsdienst, haartooi, handel-burotica, hout, burotica of informatica, kleding, Latijn, lichamelijke opvoeding, mechanica, muzikale opvoeding, Nederlands, niet-confessionele zedenleer, plastische opvoeding, project algemene vakken, , technologische opvoeding, voeding-verzorging, wiskunde. De Vlaamse Regering kan de lijst van onderwijsvakken aanpassen.


§5. De hogeschool kan de volgende opleidingsonderdelen voor specifieke onderwijsbehoeften aanbieden: Basiseducatie, buitengewoon onderwijs, doventolk, gebarentaal, intercultureel onderwijs, zorgverbreding.


De Vlaamse Regering kan de lijst van opleidingsonderdelen met betrekking tot specifieke onderwijsbehoeften aanpassen.


Onverminderd de toepassing van §4 kan de student van de geïntegreerde lerarenopleiding secundair onderwijs boven op het pakket van twee onderwijsvakken kiezen uit de opleidingsonderdelen voor specifieke onderwijsbehoeften.


De opleidingsonderdelen voor specifieke onderwijsbehoeften kunnen bovendien worden gevolgd door alle personeelsleden van het onderwijs.



§6. Een hogeschool kan voor de onderwijsvakken muzikale opvoeding, plastische opvoeding en lichamelijke opvoeding vaste combinaties met andere onderwijsvakken aanbieden.





Sectie 3. De specifieke lerarenopleidingen, georganiseerd door hogescholen en universiteiten


Art. 55quinquies §1. Hogescholen kunnen voor de professioneel gerichte bacheloropleidingen een specifieke lerarenopleiding aanbieden op voorwaarde dat er een samenwerkingsakkoord is als vermeld in artikel55septies.


De houders van een professioneel gericht bachelordiploma en studenten die al 120 studiepunten hebben verworven, worden toegelaten tot de specifieke lerarenopleidingen, georganiseerd door hogescholen.


§2. Hogescholen kunnen voor de masteropleidingen in de studiegebieden handelswetenschappen en bedrijfskunde, audiovisuele kunst en beeldende kunst of in het studiegebied muziek en dramatische kunst, een specifieke lerarenopleiding aanbieden.


De houders van een academisch bachelordiploma in de bovenvermelde studiegebieden, worden toegelaten tot de specifieke lerarenopleidingen, georganiseerd door hogescholen.


§3. Universiteiten kunnen voor de masteropleidingen een specifieke lerarenopleiding aanbieden, die leidt tot het diploma van leraar.


De houders van een academisch bachelordiploma worden toegelaten tot de specifieke lerarenopleidingen, georganiseerd door universiteiten.


§4.5. De praktijkcomponent van de specifieke lerarenopleidingen kan worden volbracht in twee vormen:

1°als een preservicetraining;

2° als een in-servicetraining.


§5.

De preservice training wordt georganiseerd in samenwerking met de stagescholen, en begeleid door een personeelslid van de hogeschool of de universiteit, de stagebegeleider genaamd, en een personeelslid van de school, belast met het mentorschap. De omvang van de

preservicetraining bedraagt 30 studiepunten. De hogescholen of universiteiten sluiten een overeenkomst met de stagescholen. Deze overeenkomst bevat onder meer de verantwoordelijkheidsverdeling van stageschool, hogeschool of universiteit en student, waarbij de rol van de stageschool in de evaluatie het assessment van de student wordt vastgelegd. Indien er verscheidene stagescholen zijn, wordt ook vastgesteld welke school fungeert als ankerschool, zijnde de school waarlangs de contacten gebeuren.


§3. De in-servicetraining gebeurt in de vorm van een leraar-in opleidingsbaan, hierna de LIO-baan genoemd en wordt uitgeoefend in een of meer instellingen van het secundair onderwijs, het deeltijds kunstonderwijs en het volwassenenonderwijs. gedurende een volledig schooljaar of het equivalent.


De LIO-opleidingsbaan moet op jaarbasis ten minste 500 contacturen bedragen. Op het einde van de LIO-opleidingsbaan wordt de student gedurende een assessment voor de in-servicetraining beoordeeld door de school en de hogeschool of universiteitlerarenopleiding. Indien de leraar-in-opleiding er niet in slaagt 500 contacturen te presteren, kan hij dit tekort aanvullen met preservice-training.


De hogeschool of universiteitlerarenopleiding, de instelling, de school en de leraar-in-opleiding sluiten een LIO_opleidingsbaanovereenkomst af. Een LIO-opleidingsbaanovereenkomst is een overeenkomst waarbij een student in het kader van lerarenopleiding bepaalde kennis of vaardigheden verwerft in een school instelling door het uitvoeren van arbeidsprestaties. De Vlaamse Regering bepaalt de minimale vormvereisten van deze overeenkomst.


De leraar-in-opleiding wordt aangesteld als tijdelijk personeelslid en moet voldoen aan de voorwaarden bepaald in artikel 17 van het decreet Rechtspositie gemeenschapsonderwijs en artikel 19 van het decreet Rechtspositie gesubsidieerd onderwijs.


§67.. De specifieke lerarenopleidingen worden bekrachtigd met een diploma van leraar. Daarbij wordt rekening gehouden met het assessment, vermeld in § 35.


Art.55sexies. Onverminderd de toepassing van artikel 17 kunnen hogescholen aansluitend bij de geïntegreerde lerarenopleidingen postgraduaten inrichten die leiden tot:

1° een verdere bekwaming van een eerder gekozen onderwijsvak;

2° de verwerving van een extra onderwijsvak;

3° de verwerving van een specifieke bekwaamheid.


Art. 55septies. §1. Hogescholen en universiteiten kunnen met een opleiding van het pedagogisch hoger onderwijs georganiseerd door een centrum voor volwassenenonderwijs, een overeenkomst sluiten over de gezamenlijke organisatie van de lerarenopleidingen, met name onderwijs- en studieactiviteiten, de kwaliteitszorg en het gebruik van infrastructuur.


§2. De overeenkomsten bedoeld in §1 kunnen worden geïntegreerd in en vervangen door een kaderovereenkomst die de oprichting van een Expertisenetwerk inzake lerarenopleiding tot voorwerp heeft.


Hogescholen en universiteiten kunnen enkel binnen een associatie een expertisenetwerk oprichten. Per associatie is slechts één Expertisenetwerk mogelijk. Centra voor volwassenenonderwijs kunnen slechts tot één Expertisenetwerk toetreden.


§3. Een Expertisenetwerk heeft tot doel de expertise van de verschillende lerarenopleidingen in complementariteit te bundelen en te ontwikkelen, ter verbetering van de kwaliteit van de lerarenopleidingen en ter versterking van de dienstverlening op het vlak van de continue professionalisering van leraren.


§4. De kaderovereenkomst beschrijft in ieder geval:

  • de ontwikkeling van een strategisch beleidsplan betreffende de lerarenopleidingen

  • de samenwerking en profilering van de verschillende lerarenopleidingen, onder meer wat betreft toegankelijkheid en doelgroepenbeleid

  • de ondersteuning en versterking van de lerarenopleidingen op het vlak van onderwijskundig onderzoek door de universiteit

  • de planning van het vakdidactisch onderzoek aan de universiteit

  • de vakdidactische ondersteuning en versterking van de lerarenopleidingen

  • de gezamenlijke organisatie van de praktijkcomponent van de lerarenopleidingen

  • de versterking van de lerarenopleidingen op het vlak van praktijkexpertise en methodiek

  • de versterking van de lerarenopleidingen op het vlak van flexibele leerwegen en aantrekken van zij-instromers

  • de ontwikkeling van een beleidsplan inzake mentorenvorming, de nascholing van leraren en de wetenschappelijke en maatschappelijke dienstverlening inzake professionalisering van leraren

  • de uitwisseling van personeel van de betrokken centra voor volwassenenonderwijs, hogescholen en universiteitenopleidingsinstituten

  • het gebruik van infrastructuur

  • de organisatie van de interne en externe kwaliteitszorg.


§ 5. De Vlaamse Regering kan een Expertisenetwerk financieren. De financiering houdt rekening met het totaal aantal diploma’s uitgereikt door de opleidingen van het Expertisenetwerk.


Art. 55 octies. Onverminderd de toepassing van Titel I, Hoofdstuk IV kan de Vlaamse Regering initiatieven nemen met betrekking tot de kwaliteitszorg van de lerarenopleidingen door een beleidsevaluatie te organiseren. Een beleidsevaluatie zal onder meer aandacht hebben voor de mate waarin de instellingen Een beleidsevaluatie zal onder meer aandacht hebben voor de mate waarin de centra , hogescholen en universiteiten een beleid voeren inzake taalvaardigheid van de cursist of studenten en voor de mate waarin de preservicetraining voorbereidt op de verschillende onderwijsvormen.……………….taalvaardigheid en de mate waarin de preservicetraining voorbereidt op de verschillende onderwijsvormen. De resultaten van deze evaluatie zullen worden vastgelegd in een openbaar verslag dat voorgelegd wordt aan het Vlaams Parlement.


Art. 55 novies. §1. De hogescholen bouwen de initiële lerarenopleidingen en de bacheloropleidingen onderwijs met ingang van het academiejaar 2005-2006 af.


§2. Studenten die uiterlijk in het academiejaar 2005-2006 geslaagd waren voor minstens 60 studiepunten van een geïntegreerde lerarenopleiding, hebben het recht die opleiding te voltooien overeenkomstig titel II , hoofdstuk I , onderafdeling 4 van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap.


§3. De hogescholen bouwen de geïntegreerde lerarenopleidingen uit overeenkomstig de bepalingen van deze onderafdeling met ingang van het academiejaar 2005-2006.


Art. 55 decies§1. De hogescholen en universiteiten bouwen de academische initiële lerarenopleidingen en de initiële lerarenopleidingen van academisch niveau af met ingang van het academiejaar 2005-2006.

§2. .Studenten die uiterlijk in het academiejaar 2005-2006 ingeschreven waren in een academische initiële lerarenopleiding en een initiële lerarenopleiding van academisch niveau of voortgezette lerarenopleiding, hebben het recht die opleiding te voltooien overeenkomstig het decreet van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap respectievelijk het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap.


§4. De universiteiten en hogescholen bepalen de modaliteiten waaronder de studenten bedoeld in §2 het diploma van leraar kunnen behalen.


Sectie 4.- Overname van GPB-opleidingen door hogescholen



Art.55 undecies §1. De hogescholen die onderwijsbevoegdheid hebben voor het studiegebied ondewijs, kunnen de opleiding van het pedagogisch hoger onderwijs overnemen van de centra voor volwassenenonderwijs. De hogescholen sluiten met de betrokken centra voor volwassenenonderwijs een protocol terzake af. De hogescholen bezorgen de protocollen aan de Vlaamse regering voor 1 mei van het academiejaar voorafgaand aan de overname.


§2. Het in §1 bedoelde protocol vermeldt tenminste :

1° de naam van het centrum voor volwassenenonderwijs en de naam van de hogeschool ;

2° de naam van de opleiding die wordt overgedragen en de categorie(en) waarbinnen deze opleiding is gerangschikt ;

3° de naam van de hogeschoolopleiding waarnaar de opleiding wordt omgevormd en het studiegebied waarbinnen de opleiding is gerangschikt ;

4° de vestiging van de hogeschool waar de overgedragen opleiding zal worden georganiseerd ;

5° de modaliteiten inzake de organisatie van de opleiding in afbouw overeenkomstig de organisatie van het hoger onderwijs voor sociale promotie ;

6° de procedure en de modaliteiten inzake de overdracht van de inschrijving van de studenten die op het ogenblik van de overdracht van de opleiding in het centrum voor volwassenenonderwijs zijn ingeschreven, naar de hogeschool ;

7° de procedure en de modaliteiten inzake de overdracht van het personeel van het centrum voor volwassenenonderwijs naar de hogeschool ;

8° desgevallend de modaliteiten inzake de overdracht van infrastructuur en onroerende goederen.



§3. De hogescholen stellen het inschrijvingsgeld voor de in §3 bedoelde cursisten vast overeenkomstig artikel 50, §1 van het decreet van 2 maart 1999 tot regeling van een aantal aangelegenheden van het volwassenenonderwijs. De hogescholen kunnen de cursisten vrijstelling van inschrijvingsgeld verlenen zoals bedoeld in artikel 50, §2 van hetzelfde decreet ;


§4. De hogescholen zijn voor deze opleiding onderworpen aan de kwaliteitszorg die van toepassing is op de hogescholen.”


Art.55 duodecies §1. De hogescholen vormen de overgenomen opleiding van het pedagogisch hoger onderwijs om tot een specifieke lerarenopleiding. Deze lerarenopleiding bedraagt 60 studiepunten.


§2. Het decreet van 17 juli 1991 betreffende inspectie en pedagogische begeleidingsdiensten, zoals gewijzigd door het decreet van 13 april 1999 houdt, vanaf het ogenblik van de overdracht, op van toepassing te zijn op de aan de hogescholen overgedragen opleiding van het pedagogisch hoger onderwijs.


§3. De betrokken hogeschool treedt in de rechten en de verplichtingen van de inrichtende macht van het gemeenschapsonderwijs die vroeger uit hoofde van het organiseren van de in artikel …. van het decreet van 2 maart 1999 tot regeling van een aantal aangelegenheden van het volwassenenonderwijs bedoelde opleiding zijn ontstaan, onverminderd de bepalingen van deze artikelen. In de overdracht zijn begrepen alle rechten en verplichtingen verbonden aan

hangende en toekomstige procedures.


Art. 17. Artikel 136 van hetzelfde decreet wordt opgeheven.




Hoofdstuk X. Slotbepaling



Art. 18. Dit decreet treedt in werking op 1 september 2006, met uitzondering van artikel 5, 3° dat uitwerking heeft op 1 september 2005.




Brussel,



De minister-president van de Vlaamse Regering,






Yves LETERME


De Vlaamse minister van Werk, Onderwijs en Vorming,







Frank VANDENBROUCKE

Decreet lerarenopleiding- versie 17 oktober 2005 - 17

0 Comments:

Post a Comment

<< Home