Tuesday, December 27, 2005

arrest arbitragehof uza

Rolnummer 3678

Arrest nr. 185/2005

van 7 december 2005

A R R E S T

__________

In zake : het beroep tot vernietiging van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 7 mei 2004 « houdende wijziging van het decreet van 4 april 2003 houdende bepalingen tot de oprichting van een Universiteit Antwerpen en tot wijziging van het decreet van 22 december 1995 houdende wijziging van diverse decreten met betrekking tot de Universiteit Antwerpen, wat het Universitair Ziekenhuis Antwerpen betreft », ingesteld door de Algemene Centrale der Openbare Diensten.

Het Arbitragehof,

samengesteld uit de voorzitters A. Arts en M. Melchior, en de rechters L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter A. Arts,

wijst na beraad het volgende arrest :

*

* *

I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging

Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 16 maart 2005 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 17 maart 2005, heeft de Algemene Centrale der Openbare Diensten, met zetel te 1000 Brussel, Fontainasplein 9-11, beroep tot vernietiging ingesteld van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 7 mei 2004 houdende wijziging van het decreet van 4 april 2003 houdende bepalingen tot de oprichting van een Universiteit Antwerpen en tot wijziging van het decreet van 22 december 1995 houdende wijziging van diverse decreten met betrekking tot de Universiteit Antwerpen, wat het Universitair Ziekenhuis Antwerpen betreft (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 15 oktober 2004, tweede editie).

De Universiteit Antwerpen, met zetel te 2000 Antwerpen, Prinsstraat 13, de Ministerraad en de Vlaamse Regering hebben elk een memorie ingediend, de verzoekende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de Universiteit Antwerpen, de Ministerraad en de Vlaamse Regering hebben elk ook een memorie van wederantwoord ingediend.

Op de openbare terechtzitting van 20 oktober 2005 :

- zijn verschenen :

. Mr. I. Martens, advocaat bij de balie te Gent, voor de verzoekende partij;

. Mr. H. Vermeire loco Mr. P. Devers, advocaten bij de balie te Gent, voor de Vlaamse Regering;

. Mr. C. Coen en Mr. J. Deridder, advocaten bij de balie te Antwerpen, voor de Universiteit Antwerpen;

. Mr. E. Jacubowitz en Mr. P. De Maeyer, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad;

- hebben de rechters-verslaggevers L. Lavrysen en J. Spreutels verslag uitgebracht;

- zijn de voornoemde advocaten gehoord;

- is de zaak in beraad genomen.

De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast.

II. In rechte

- A -

Ten aanzien van de ontvankelijkheid

A.1. De verzoekende partij, de Algemene Centrale der Openbare Diensten (hierna : A.C.O.D.), verklaart dat zij een representatieve vakorganisatie is in de zin van artikel 8 van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel en oordeelt dat zij belang heeft bij het beroep tot vernietiging, aangezien het bestreden decreet met zich meebrengt dat zij geen bevoegdheden meer heeft in het Universitair Ziekenhuis Antwerpen (hierna : U.Z.A.). Tot vóór het bestreden decreet kon de verzoekende partij haar prerogatieven in het U.Z.A. uitoefenen via sectorcomité 10, in de zin van bijlage 1 van het koninklijk besluit van 28 september 1984 tot uitvoering van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel; het U.Z.A. was immers een onderdeel van de Universiteit Antwerpen. Ten gevolge van het bestreden decreet krijgt het U.Z.A. een privaatrechtelijk karakter, waardoor de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités en niet langer de wet van 19 december 1974 toepasselijk is.

A.2. De Universiteit Antwerpen betwist de ontvankelijkheid van het verzoekschrift. Zij is van oordeel dat de verzoekende partij als feitelijke vereniging niet de vereiste bekwaamheid heeft om voor het Hof een beroep in te stellen. Weliswaar zouden vakorganisaties zich ondanks hun hoedanigheid van feitelijke vereniging in bepaalde aangelegenheden op ontvankelijke wijze tot het Hof kunnen richten, maar daaraan zijn twee voorwaarden verbonden : de feitelijke vereniging moet de eigen statuten naleven inzake de vertegenwoordigingsbevoegdheid en het onderwerp van het beroep moet betrekking hebben op haar eigen prerogatieven als vakorganisatie.

Wat de eerste voorwaarde betreft, verzoekt de tussenkomende partij het Hof te onderzoeken of uit de door de verzoekende partij voorgelegde stukken blijkt dat de algemeen secretaris bevoegd is om de verzoekende partij te vertegenwoordigen.

Wat de tweede voorwaarde betreft, merkt de tussenkomende partij op dat de in het kader van de representativiteit in aanmerking te nemen belangen niet de eigen belangen van de verzoekende partij zijn, maar de verenigde belangen van haar leden in zoverre zij passen in de bijzondere rol die aan de vakorganisaties werd toegekend. In casu zou evenwel enkel het eigen belang van de verzoekende partij in het geding zijn om zelf en niet middels een andere vakorganisatie de belangen van haar huidige leden te blijven behartigen. Overigens zou dat gevolg niet ipso facto uit het bestreden decreet voortvloeien aangezien het werkingsgebied van de onderscheiden vakcentrales binnen de vakorganisaties zelf wordt geregeld en derhalve in het geval van de verzoekende partij allicht kan worden aangepast om tevens het U.Z.A. te omvatten. De tussenkomende partij is dan ook van oordeel dat, in zoverre het belang van de verzoekende partij ertoe beperkt is dat zij zelf als vakcentrale niet langer haar leden zou kunnen vertegenwoordigen, dit niet voldoende tegemoet komt aan het vereiste belang om op ontvankelijke wijze een beroep bij het Hof in te stellen.

A.3. De Vlaamse Regering merkt op dat de verzoekende partij, wil haar beroep tot vernietiging ontvankelijk kunnen zijn, dient te bewijzen dat de beslissing om dat beroep in te stellen en om C. Reniers, van wie in het verzoekschrift wordt gezegd dat ze algemeen secretaris is, aan te stellen als haar procesvertegenwoordiger, genomen is overeenkomstig haar eigen statuten.

A.4. In haar memorie van antwoord blijft de verzoekende partij erbij dat zij een persoonlijk belang heeft bij de vernietiging van het bestreden decreet. Zij had als representatieve vakorganisatie zitting in het onderhandelings- en overlegcomité waaronder de Universiteit Antwerpen ressorteerde. Dat prerogatief zou door het decreet worden geschonden. Voorts wijst de verzoekende partij erop dat haar belang reeds werd aanvaard in het arrest nr. 34/2005, dat op een nagenoeg identieke zaak betrekking had.

Op de excepties van onontvankelijkheid wegens gebrek aan vertegenwoordigingsbevoegdheid wordt niet geantwoord.

Ten gronde

A.5.1. Het enige middel is afgeleid uit een schending van de artikelen 38 en 39 van de Grondwet doordat het decreet voorziet in een « instelling zonder winstoogmerk ». De invoering van een nieuwe privaatrechtelijke rechtsvorm zou niet tot de toegewezen bevoegdheden van de gemeenschappen en gewesten maar tot de residuaire bevoegdheid van de federale overheid behoren.

A.5.2. Dat de decreetgever een privaatrechtelijke rechtspersoon heeft beoogd, blijkt volgens de verzoekende partij uit de parlementaire voorbereiding van het decreet. In de toelichting bij het voorstel van decreet werd verwezen naar de regeling die geldt voor de verzelfstandiging van de ziekenhuizen van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. Uit het feit dat die regeling gebaseerd is op het oprichten van private verenigingen leidt de verzoekende partij de wil van de decreetgever af om voor de activiteiten van het U.Z.A. een privaatrechtelijke instelling op te richten. Ook de artikelsgewijze commentaar wijst in die richting. Daarin is immers sprake van de toepassing van wetten en collectieve arbeidsovereenkomsten die enkel gelden voor privaatrechtelijke rechtspersonen, zoals de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven, de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, en de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 5 houdende het statuut van de vakbondsafvaardiging.

Ook de raad van bestuur van de Universiteit Antwerpen gaat ervan uit dat het U.Z.A. een privaatrechtelijke instelling is. Dat blijkt uit de beslissing van die raad van 4 november 2004 tot afsplitsing van het U.Z.A. en uit een nota van die raad, waarin het privaatrechtelijk karakter wordt toegelicht.

A.6.1. De Vlaamse Regering is van oordeel dat het middel naar recht faalt, vermits de Vlaamse Gemeenschap, zowel op basis van haar onderwijsbevoegdheid (artikel 127 van de Grondwet) als op basis van haar bevoegdheid inzake het gezondheidsbeleid (artikel 5, § 1, I, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen), gerechtigd is om, met toepassing van artikel 9 van die bijzondere wet, instellingen met rechtspersoonlijkheid op te richten, en de samenstelling, de bevoegdheid, de werking, het toezicht en de rechtspositie van het personeel te regelen. Dat zou uitdrukkelijk zijn bevestigd in het arrest nr. 34/2005.

A.6.2. De gemeenschappen zijn naar het oordeel van de Vlaamse Regering bevoegd om eigenmachtig het gehele statuut van hun instellingen uit te werken, zonder hierbij aan vooraf bestaande organisatievormen te zijn gebonden.

Met betrekking tot de bevoegdheid inzake onderwijs en het daaraan verbonden personeel zou de beperking van artikel 87, § 4, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen niet aan de orde zijn, terwijl uit het arrest nr. 44/2005 blijkt dat artikel 87, § 5, van dezelfde bijzondere wet moet wijken voor artikel 127, § 1, eerste lid, 2°, van de Grondwet.

Alleen wanneer de gemeenschappen, bij de uitoefening van hun eigen bevoegdheid, gebruik maken van (privaatrechtelijke) technieken die met het vennootschapsrecht of het rechtspersonenrecht verband houden, zou de vraag rijzen naar een eventuele schending van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen of, meer algemeen, van de in het middel aangevoerde artikelen 38 en 39 van de Grondwet. Dat is te dezen niet het geval, zo meent de Vlaamse Regering, omdat de in het geding zijnde instelling noch een vennootschap is in de zin van artikel 1 van het Wetboek van vennootschappen zoals ingevoerd bij de wet van 7 mei 1999, noch een vereniging zonder winstoogmerk zoals bedoeld in de wet van 27 juni 1921 en evenmin een rechtspersoon bedoeld in hoofdstuk XIIbis van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, maar een rechtspersoon sui generis, waarvan het decreet zelf de samenstelling en de bevoegdheden van de organen, de minimale regels van de statuten, het aanvangspatrimonium en de rechtsopvolging, alsmede de werkingsregels, met inbegrip van een verplichte beheersovereenkomst met de Universiteit Antwerpen, vastlegt.

A.7.1. De Universiteit Antwerpen is van oordeel dat het middel ongegrond is en dat het irrelevant is of de nieuwe rechtspersoon die in het bestreden decreet tot stand wordt gebracht publiekrechtelijk dan wel privaatrechtelijk van aard is. Uit artikel 9 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen blijkt dat er geen discussie kan bestaan over de bevoegdheid van de gemeenschappen en gewesten om tot de oprichting van nieuwe rechtspersonen over te gaan en dat die bevoegdheid niet beperkt is tot het oprichten van publiekrechtelijke instellingen. Uit de parlementaire voorbereiding van dat artikel blijkt dat niet is vereist dat voor de nieuw op te richten instellingen een organiek decreet wordt opgesteld, doch dat de bepalingen inzake werking, toezicht en dergelijke telkens in een specifiek en afzonderlijk decreet kunnen worden opgenomen.

A.7.2. De tussenkomende partij verwijst voorts naar het arrest nr. 34/2005, waaruit blijkt dat de decreetgever bevoegd is om nieuwe rechtsvormen in het leven te roepen en daaraan rechtspersoonlijkheid te verlenen, waarbij het enkel verboden is daarbij te raken aan de federaal vastgelegde regels inzake handels- en vennootschapsrecht. Ten slotte merkt zij op dat de rechtsfiguur van de instelling zonder winstoogmerk ook reeds door de Franse Gemeenschap wordt gebruikt, bijvoorbeeld in het decreet van 17 juli 2002 betreffende de erkenning en betoelaging van de musea en andere museale instellingen. Volgens de verzoekende partij is de verwijzing naar dat decreet evenwel niet relevant.

A.8.1. In zijn memorie is de Ministerraad van oordeel dat, rekening houdend met het arrest nr. 34/2005, niet onmiddellijk tot de aanmatiging van een federale bevoegdheid kan worden besloten.

A.8.2. Na kennisname van de memories ingediend door de Vlaamse Regering en de Universiteit Antwerpen vraagt de Ministerraad zich echter af op welke rechtsgrond de Vlaamse decreetgever zich baseert om een nieuwe privaatrechtelijke rechtsvorm in het leven te roepen en waarom hij geen gebruik heeft gemaakt van de bestaande rechtsvormen zoals ingevoerd door de federale wetgeving, inzonderheid de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen. Indien men aanvaardt dat de decreetgever een sui generis-vorm van privaatrechtelijke rechtspersoon kan creëren, vreest de Ministerraad dat het hek van de dam is. De bevoegdheid van de federale wetgever om de vormen van privaatrechtelijke rechtspersonen te bepalen, zou worden uitgehold wanneer ze niet meer dwingend zou zijn voor de gemeenschappen, de gewesten en de rechtspersonen die zij creëren.

Om die redenen sluit de Ministerraad zich in haar memorie van wederantwoord aan bij het enige middel van de verzoekende partij.

- B -

Ten aanzien van de bestreden bepalingen

B.1.1. Het bestreden decreet vervangt artikel 9 van het decreet van 4 april 2003 houdende bepalingen tot de oprichting van een Universiteit Antwerpen en tot wijziging van het decreet van 22 december 1995 houdende wijziging van diverse decreten met betrekking tot de Universiteit Antwerpen.

Volgens de eerste paragraaf van dat nieuwe artikel 9 is het Universitair Ziekenhuis Antwerpen (hierna : U.Z.A.) een instelling zonder winstoogmerk, die krachtens het decreet rechtspersoonlijkheid verwerft, zodra de beslissing tot afsplitsing van het U.Z.A. door de Universiteit Antwerpen is genomen. De paragrafen 2 tot en met 6 bevatten bepalingen die handelen over het doel, de statuten, de organen en het bestuur van de instelling, alsmede over het toezicht erop. De overige paragrafen hebben betrekking op de rechten en verplichtingen en het arbeidsrechtelijk en sociaalrechtelijk statuut van het personeel, de overdracht aan het U.Z.A. van roerende en onroerende goederen, activa en passiva, rechten en verplichtingen, de in artikel 55 van het Wetboek der successierechten opgenomen vrijstelling, de bevoegdheid tot onteigening van onroerende goederen en de door de nieuwe rechtspersoon U.Z.A. en de Universiteit Antwerpen te sluiten beheersovereenkomst.

B.1.2. Uit de parlementaire voorbereiding van het decreet blijkt dat de decreetgever tot doel heeft gehad een « onbenoemde rechtspersoon sui generis » op te richten :

« De indieners van dit voorstel stellen nu voor om het Universitair Ziekenhuis Antwerpen af te splitsen en onder te brengen in een instelling zonder winstoogmerk met rechtspersoonlijkheid, naar analogie van de regeling die geldt voor de verzelfstandiging van de OCMW-ziekenhuizen, zoals omschreven in het hoofdstuk XIIbis van de OCMW-wet van 8 juli 1976, zoals gewijzigd - zij het dat het om een onbenoemde rechtspersoon ‘ sui generis ’ gaat. Het gaat dus uitdrukkelijk niet om een VZW of een stichting in de zin van de wet op de verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen, ook niet om een vennootschap » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2003-2004, nr. 2174/1, p. 3).

Ten aanzien van de ontvankelijkheid

B.2.1. De Universiteit Antwerpen betwist de procesbekwaamheid van de verzoekende partij.

B.2.2. In beginsel heeft een feitelijke vereniging, te dezen een vakorganisatie, niet de vereiste bekwaamheid om bij het Hof een beroep tot vernietiging in te stellen.

Anders is het wanneer zij optreedt in aangelegenheden waarvoor zij wettelijk als een afzonderlijke juridische entiteit is erkend en wanneer, terwijl zij wettelijk als dusdanig betrokken is bij de werking van overheidsdiensten, de voorwaarden zelf voor haar betrokkenheid bij die werking in het geding zijn.

In zoverre zij in rechte treedt ter vernietiging van bepalingen die tot gevolg hebben dat aan haar prerogatieven wordt geraakt, moet zulk een organisatie voor de toepassing van artikel 2, 2°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met een persoon worden gelijkgesteld.

B.2.3. De verzoekende partij, de Algemene Centrale der Openbare Diensten, is een representatieve vakorganisatie in de zin van artikel 8 van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel.

Ten gevolge van het bestreden decreet krijgt het U.Z.A. een privaatrechtelijk karakter, waardoor niet langer de voormelde wet van 19 december 1974, maar de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités toepasselijk is.

Het bestreden decreet heeft aldus een weerslag op de prerogatieven van de verzoekende partij.

De exceptie van onontvankelijkheid wegens gebrek aan procesbekwaamheid wordt verworpen.

B.3.1. Krachtens artikel 5 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof moet het verzoekschrift worden ondertekend door de belanghebbende of zijn advocaat.

De Vlaamse Regering en de Universiteit Antwerpen betwisten de vertegenwoordigingsbevoegdheid van C. Reniers, die het verzoekschrift heeft ondertekend.

B.3.2. Naar luid van artikel 20, e, van de statuten van de verzoekende partij hebben het algemeen secretariaat en het federaal uitvoerend bureau de opdracht om de A.C.O.D. in rechte te vertegenwoordigen.

Bij beschikking van 21 september 2005 heeft het Hof de verzoekende partij verzocht het bewijs voor te leggen dat C. Reniers de verzoekende partij op rechtsgeldige wijze voor het Hof vertegenwoordigt.

B.3.3. Bij brief van 29 september 2005 heeft de verzoekende partij het gevraagde bewijs voorgelegd.

De exceptie van onontvankelijkheid wegens gebrek aan vertegenwoordigingsbevoegdheid wordt verworpen.

Ten gronde

B.4. Volgens het enige middel schendt het bestreden decreet de artikelen 38 en 39 van de Grondwet doordat het voorziet in een « instelling zonder winstoogmerk ». De invoering van een nieuwe privaatrechtelijke rechtsvorm zou niet tot de toegewezen bevoegdheden van de gemeenschappen en de gewesten maar tot de residuaire bevoegdheid van de federale overheid behoren.

B.5. Artikel 38 van de Grondwet bepaalt :

« Elke gemeenschap heeft de bevoegdheden welke haar door de Grondwet of door de wetten aangenomen krachtens deze laatste, worden toegekend ».

Artikel 39 van de Grondwet bepaalt :

« De wet draagt aan de gewestelijke organen welke zij opricht en welke samengesteld zijn uit verkozen mandatarissen de bevoegdheid op om de aangelegenheden te regelen welke zij aanduidt met uitsluiting van die bedoeld in de artikelen 30 en 127 tot 129 en dit binnen het gebied en op de wijze die zij bepaalt. Deze wet moet worden aangenomen met de meerderheid bepaald in artikel 4, laatste lid ».

Zolang niet voldaan is aan de voorwaarden vermeld in artikel 35 van de Grondwet beschikt de federale overheid over de residuaire bevoegdheid.

B.6. Volgens het bestreden decreet wordt het U.Z.A. een « instelling zonder winstoogmerk » - met rechtspersoonlijkheid - zodra de beslissing tot afsplitsing door de Universiteit Antwerpen is genomen. Zoals aangehaald in B.1.2 had de decreetgever tot doel een « onbenoemde rechtspersoon sui generis » op te richten.

B.7. Artikel 9 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen luidt :

« In de aangelegenheden die tot hun bevoegdheid behoren, kunnen de Gemeenschappen en de Gewesten gedecentraliseerde diensten, instellingen en ondernemingen oprichten of kapitaalsparticipaties nemen.

Het decreet kan aan de voornoemde organismen rechtspersoonlijkheid toekennen en hun toelaten kapitaalsparticipaties te nemen. Onverminderd artikel 87, § 4, regelt het hun oprichting, samenstelling, bevoegdheid, werking en toezicht ».

Op grond van die bepaling is de decreetgever bevoegd om, in de aangelegenheden die tot de bevoegdheid van de gemeenschappen en de gewesten behoren, gedecentraliseerde diensten, instellingen en ondernemingen op te richten, zonder daarbij gebonden te zijn aan vooraf bestaande organisatievormen. De decreetgever kan daarbij gebruik maken van zowel publiekrechtelijke als privaatrechtelijke technieken, zij het dat het hem daarbij verboden is, behoudens met een beroep op artikel 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, op algemene wijze af te wijken van het handels- en vennootschapsrecht, dat krachtens artikel 6, § 1, VI, vijfde lid, 5°, van diezelfde bijzondere wet behoort tot de exclusieve bevoegdheid van de federale Staat, of van het rechtspersonenrecht, dat tot de residuaire bevoegdheid van de federale overheid behoort.

B.8. In zoverre het bestreden decreet voorziet in een regeling die betrekking heeft op de afsplitsing van het U.Z.A. van de Universiteit Antwerpen, regelt het een aangelegenheid die binnen de krachtens artikel 127, § 1, eerste lid, 2°, van de Grondwet aan de Vlaamse Gemeenschap toekomende bevoegdheid inzake onderwijs valt.

Door in die aangelegenheid te voorzien in een sui generis-instelling zonder winstoogmerk en daarvoor een eigen specifieke juridische vorm uit te werken, zonder te verwijzen naar één van de door de federale wetgever gereglementeerde vormen van rechtspersoonlijkheid, is de decreetgever binnen de hem door artikel 9 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 verleende bevoegdheid gebleven en heeft hij geen inbreuk gemaakt op een federale - toegewezen of residuaire - bevoegdheid.

B.9. Het middel is niet gegrond.

Om die redenen,

het Hof

verwerpt het beroep.

Aldus uitgesproken in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 7 december 2005.

De griffier, De voorzitter,

P.-Y. Dutilleux A. Arts


Monday, December 19, 2005

CAO Hoger Onderwijs

CAO Hoger Onderwijs

"Ontwerp CAO Hoger Onderwijs legt nadruk op bijscholing en verminderen werkdrukPersmededeling Kabinet Vlaams minister van Onderwijs en Vormingvrijdag 11 maart 2005Een sectoraal vormingsfonds voor bij- en nascholing van de personeelsleden en meer inspanningen om dewerkdruk te verminderen. Dat zijn de meest opvallende voorstellen in de ontwerptekst voor eenCollectieve Arbeidsovereenkomst (CAO) in het Hoger Onderwijs. Minister van Onderwijs FrankVandenbroucke heeft die tekst vandaag voorgesteld aan de Vlaamse Regering. Van zodra de vakbondenen de overheid de tekst ondertekenen, is de eerste cao voor het Hoger Onderwijs een feit. Eerst dient welnog het advies ingewonnen te worden van de delegatie "Besturen" in het Vlaams Onderhandelingscomitévoor het Hoger Onderwijs (VOC).Het hoger onderwijs (universiteiten en hogescholen) heeft geen traditie met eigen onderhandelingen enCAO's. Tot nu vielen de hogescholen onder de CAO's die voor het hele onderwijs afgesloten werden. Deuniversiteiten volgden automatisch de CAO's van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. Ditverandert op basis van het zogenaamde "Aanvullingsdecreet" uit 2004: er is een afzonderlijkonderhandelingscomité opgericht waar binnenkort de eerste CAO Hoger Onderwijs ondertekend kanworden. Die CAO zal officieel slaan op de periode van 2003-2004. De onderhandelingen voor de CAO2005-2006 moeten starten vóór 30 september 2005.In de ontwerp CAO staat dat het personeel van het hoger onderwijs de kans moet krijgen om zichpermanent bij te scholen. De overheid zal daarom een sectoraal vormingsfonds oprichten waarin deoverheid en de instellingen voor het jaar 2006 elk maximaal 1.070.000 euro zullen inbrengen.De ontwerp CAO besteedt ook veel aandacht aan de werkdruk voor het personeel. De tekst bepaalt datde geplande aanpassing van de regelgeving en de vereenvoudiging van formulieren moeten leiden toteen vermindering van de werkdruk. Ook de aangekondigde financiële injectie voor de hogescholen moetde werkdruk verlagen. Er wordt afgesproken dat de precieze timing en omvang van de injectie voor eindemei 2005 bekend moeten zijn. De instellingen moeten een personeelseffectenrapport opstellen voor allebestuursdaden die een effect hebben op de personeelsformatie.Minister Vandenbroucke zal samen met de instellingsbesturen onderzoeken hoe er meer vrouwen kunnendoorstromen naar de hoogste wetenschappelijke posities. Ook de algemene ondervertegenwoordiging vanallochtonen en kansarmen bij het wetenschappelijk personeel zal aangepakt worden. Voor tijdelijkepersoneelsleden zal een werkgroep voorstellen uitwerken voor een betere bescherming, met daarbij ookaandacht voor outplacement.Voor enkele voorstellen wordt verwezen naar de bespreking van de meerjarenbegroting. Bij de universiteiten gaat het om een verhoging met 1% van de salarisschalen van de niveaus C en D van hetadministratief en technisch personeel. Voor de hogescholen is beloofd dat het vakantiegeld ook dan aanbod komt.Een aantal oude afspraken in verband met de verlofregeling en mobiliteit van en naar hoger onderwijs isnog niet uitgevoerd. Om te zorgen dat de regeling voor vaderschapsverlof in alle universiteiten gelijk is,zal de overheid een bijkomende vergoeding aan de vrije universiteiten geven. Een werkgroep zal ookvoorstellen uitwerken voor de harmonisering van de verlofstelsels van de universiteiten en hogescholen.info : Ward Verhaeghepersdienst minister Vandenbroucke"

voorontwerp decreet betreffende de lerarenopleiding in Vlaanderen



Vlaamse Regering




Voorontwerp van decreet betreffende de lerarenopleidingen in Vlaanderen





DE VLAAMSE REGERING,




Op voorstel van de minister-president van de Vlaamse Regering en de Vlaamse minister van Werk, Onderwijs en Vorming;


Na beraadslaging,



BESLUIT:



De Vlaamse minister van Werk, Onderwijs en Vorming is ermee belast, in naam van de Vlaamse Regering, bij het Vlaams Parlement het ontwerp van decreet in te dienen, waarvan de tekst volgt:



Hoofdstuk I. Inleidende bepaling


Artikel 1. Dit decreet regelt een gemeenschapsaangelegenheid.


Hoofdstuk II. Wijziging van het decreet van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap


Art. 2. In het decreet van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap worden de volgende artikelen opgeheven:


1° artikel 7 bis en 15 bis, ingevoegd bij het decreet van 16 april 1996;


2° artikel 33, gewijzigd bij het decreet van 16 april 1996;


3° artikel 40, gewijzigd bij de decreten van 16 april 1996 en 20 april 2001;


4° artikel 43, gewijzigd bij de decreten van 18 mei 1999 , en 20 april 2001 en het besluit van de Vlaamse regering van 14 december 2001.

Art. 3. Aan het decreet van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap, wordt een artikel 130quater toegevoegd dat luidt als volgt:


Art. 130quater, §1. De universiteiten ontvangen met ingang van het begrotingsjaar 2006 gezamenlijk de volgende toelagen als compensatie voor de verhoging van de studieduur van de specifieke lerarenopleiding naar 60 studiepunten, uitgedrukt in euro.


2006

93.967,63

2007

375.870,52

2008

375.870,52

2009

375.870,52



§2. De gezamenlijke toelage wordt verdeeld pro rata van het aantal uitgereikte diploma’s voor de academische initiële lerarenopleiding of volgens het aantal verworven credits..


1° Voor het begrotingsjaar 2006 worden de in het academiejaar 2003-2004 uitgereikte diploma’s gebruikt:


Instelling

totaal

Katholieke Universiteit Leuven

601

Vrije Universiteit Brussel

127

Universiteit Antwerpen

255

Universiteit Hasselt

26

Universiteit Gent

605

Transnationale Universiteit Limburg

17


2° Voor het begrotingsjaar 2007 gebeurt de verdeling pro rata de in het academiejaar 2004-2005 uitgereikte diploma’s.


3° Vanaf het begrotingsjaar 2008 gebeurt de verdeling pro rata het in het afgelopen academiejaar verworven credits.


§3. Deze toelagen worden beschouwd als extra werkingsmiddelen. Zij worden maandelijks per twaalfden ter beschikking gesteld van elke universiteit aan het einde van de maand op die waarop het twaalfde betrekking heeft.


§4. De in §1 vermelde bedragen worden met ingang van het begrotingsjaar 2007 geïndexeerd volgens de indexformule L1/L0 zoals bepaald in artikel 130, §6.”


Hoofdstuk III. Wijziging van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap



Art. 4. In hoofdstuk I, afdeling 4 van titel II van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap, gewijzigd bij de decreten van 15 juli 1997, 14 juli 1998, 18 mei 1999 en 7 mei 2004, wordt onderafdeling 4, bestaande uit artikel 20bis tot en met artikel 20novies, opgeheven.


Art. 5. In artikel 179 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 19 april 1995, 16 april 1996, 8 juli 1996, 15 juli 1997, 18 mei 1999, 22 december 2000, 20 april 2001, 4 maart 2003, 27 juni 2003, 24 december 2004 en bij het besluit van de Vlaamse regering van 14 december 2001 worden de volgende wijzigingen aangebracht:


1° in de explicitering van W wordt « LOAN » geschrapt en vervangen door « SLO » .


2° Punt 12 wordt vervangen door wat volgt: “12° SLO is bestemd voor de financiering van de initiële lerarenopleiding van academisch niveau en de initiële lerarenopleiding dans en met ingang van het academiejaar 2006-2007 ook voor de specifieke lerarenopleidingen van de hogescholen. In 2005 is dit bedrag gelijk aan …….euro. Dit bedrag wordt jaarlijks aangepast op de wijze bepaald in artikel 184 van dit decreet en wordt verdeeld op basis van de in het vorig jaar afgeleverde diploma’s en met ingang van het academiejaar 2006-2007 volgens verworven credits.


3° Punt 13 wordt vervangen door wat volgt: “ 13° VLO is bestemd voor de financiering van de voortgezette lerarenopleidingen of de bachelor-na bacheloropleidingen die hieruit zijn ontstaan. Vanaf het academiejaar 1997-1998 ontvangen de hogescholen die een voortgezette lerarenopleiding organiseren of een bachelor-na bacheloropleiding die hieruit is ontstaan, per in het vorig academiejaar afgeleverd diploma 1661 euro. Als het totale bedrag meer bedraagt dan 1.487.400 euro wordt dit bedrag verdeeld over de hogescholen op basis van de in het vorig jaar afgeleverde diploma's. Deze bedragen worden jaarlijks aangepast op de wijze bepaald in artikel 184 van dit decreet .”


Art. 6.. In hetzelfde decreet wordt een artikel 307 novies toegevoegd, dat luidt als volgt:


Art. 307 novies. §1. Onverminderd de toepassing van de artikelen 92 en 93 is de hogeschool die in toepassing van artikel 55 undecies van het decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen een opleiding van het pedagogisch hoger onderwijs overneemt, verplicht werkgelegenheid te verschaffen aan de leden van het onderwijzend personeel van deze overgenomen opleiding, op voorwaarde dat deze tewerkgesteld zijn geweest in de opleiding, en :

1° ofwel uiterlijk op 30 juni van het kalenderjaar van de overname benoemd werden in hoofdambt of in bijbetrekking in de opleiding ;

2° ofwel in de periode van 1 juni tot en met 30 juni van het kalenderjaar van de overname aangesteld zijn geweest in een vacante betrekking als tijdelijke van doorlopende duur als lid van het onderwijzend personeel in de opleiding en als dusdanig door de Vlaamse Gemeenschap werden bezoldigd in hoofdambt, of het recht op dergelijke aanstelling van doorlopende duur in bedoelde periode konden doen gelden.


De hogeschool is verplicht deze personeelsleden werkgelegenheid te verschaffen naar rato van het volume van de betrekking die zij in de overgenomen opleiding uitoefenden op de laatste dag van hun tewerkstelling in juni van het kalenderjaar van de overname.


§2. De hogeschool wijst de benoemde personeelsleden op het ogenblik van de overname een betrekking toe in een ambt binnen de personeelsformatie naar rato van het volume van de opdracht die zij in de overgenomen opleiding uitoefenden op 30 juni van het kalenderjaar van de overname.

De hogeschool wijst de tijdelijken van doorlopende duur en de gerechtigden op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur op het ogenblik van de overname een betrekking toe in een ambt binnen de personeelsformatie naar rato van het volume van de betrekking die zij in de overgenomen opleiding uitoefenden op de laatste dag van hun tewerkstelling in juni van het kalenderjaar van de overname.


§3. De in paragraaf 1 bedoelde personeelsleden worden vanaf de overname personeelslid van de hogeschool en betaald ten laste van de werkingsuitkeringen van de betrokken hogeschool. De rechtspositieregeling en de bezoldigingsregeling van de personeelsleden van de hogescholen zijn op hen van toepassing, rekening houdend met volgende overgangsmaatregelen:


1° de tijdelijken van doorlopende duur en de gerechtigden op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur behouden de salarisschaal die zij op de laatste dag van hun tewerkstelling in de overgenomen opleiding genoten, tenzij de hogeschool hen inschaalt in een hogere salarisschaal;


2° de benoemde personeelsleden die benoemd waren in de betrokken opleiding, worden op het ogenblik van de overname door de hogeschool benoemde personeelsleden van de hogeschool en behouden de salarisschaal die zij op 30 juni van het kalenderjaar van de overname genoten, tenzij de hogeschool hen inschaalt in een hogere salarisschaal;


3° de personeelsleden die in de periode van 1 juni tot en met 30 juni van het kalenderjaar van de overname een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur hadden of in deze periode een recht op dergelijke aanstelling konden doen gelden, worden op het ogenblik van de overname door de hogeschool tijdelijke personeelsleden van de hogeschool. In afwijking van de artikelen 122,§2 en artikel 231 kan het hogeschoolbestuur de vermelde personeelsleden op hun verzoek benoemen voor het volume van de opdracht waarop zij aanspraak kunnen maken. Elk personeelslid dat wordt benoemd moet in het bezit zijn van het vereiste bekwaamheidsbewijs.”


Hoofdstuk IV. Wijziging van het decreet van 16 april 1996 betreffende de lerarenopleiding en de nascholing


Art.7.. Het opschrift van het decreet van 16 april 1996, betreffende de lerarenopleiding en de nascholing, gewijzigd bij de decreten van 8 juli 1996, 8 juli 1997, 15 juli 1997, 19 december 1998, 22 december 1999, 14 februari 2003 en 19 december 2003, wordt vervangen door wat volgt: “Decreet betreffende het mentorschap en de nascholing in Vlaanderen.”


Art. 8. In hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 8 juli 1996, 8 juli 1997, 15 juli 1997, 19 december 1998, 22 december 1999, 14 februari 2003 en 19 december 2003 wordt titel II, bestaande uit artikel 2 tot en met artikel 9, vervangen door wat volgt:


Titel II.Het mentorschap


Art. 2. § 1. Het mentorschap bestaat uit:

1° ondersteuning van de student tijdens de stage;

2° ondersteuning van de leraar-in-opleiding;

3° aanvangsbegeleiding gedurende het eerste jaar van de beroepsuitoefening als leraar.


§ 2. Elke school zorgt voor voor de ondersteuning van de student tijdens de stage, de ondersteuning van de leraar-in-opleiding en voor de aanvangsbegeleiding van de beginnende leraar. Die taken worden toevertrouwd aan één of meer personeelsleden die belast zijn met het mentorschap.


Art. 3. § 1. De Vlaamse Regering kent jaarlijks binnen het daartoe uitgetrokken begrotingskrediet middelen voor mentorschap toe aan een van de volgende instanties

1° een scholengemeenschap in het basis- of secundair onderwijs;

2° een scholengroep;

3° een samenwerkingsplatform tussen een of meer van de volgende instanties::

- scholengemeenschappen in het basis- of secundair onderwijs

scholengroepen;

- scholen voor gewoon en/of buitengewoon basisonderwijs, voorzover deze niet behoren tot een scholengemeenschap in het basisonderwijs;

- een onderwijsinstelling(en) voor gewoon secundair onderwijs, voorzover deze niet behorentot een scholengemeenschap in het secundair onderwijs;

- onderwijsinstellingen voor buitengewoon secundair onderwijs;

- centra voor volwassenenonderwijs ;

- instellingen voor deeltijds kunstonderwijs.


§ 2. De scholengemeenschap, de scholengroep of het samenwerkingsplatform maakt afspraken of beslist, al naargelang het geval, over de verdeling van de middelen naar de instellingen die tot de scholengemeenschap, de scholengroep of het samenwerkingsplatform behoren.


Art. 4. De middelen worden berekend op basis van criteria, die de Vlaamse Regering vaststelt.


Art. 5. De middelen kunnen enkel worden aangewend voor het oprichten van een of meer betrekkingen in een ambt van het onderwijzend personeel.


Het personeelslid dat in de betrekking, vermeld in het eerste lid, wordt aangesteld, wordt steeds aangesteld als tijdelijk personeelslid. De betrekking kan niet vacant worden verklaard. De inrichtende macht kan in geen geval personeelsleden vast benoemen, affecteren of muteren in die betrekkingen.


Art. 6. Het personeelslid belast met het mentorschap kan ten belope van maximaal een derde van een voltijdse opdracht worden aangesteld in de betrekking vermeld in artikel 5.


Art. 7. De personeelsleden belast met het mentorschap worden geselecteerd in overleg tussen de scholen enerzijds en anderzijds de centra voor volwassenenonderwijs, hogescholen of universiteiten. Zij moeten een mentoren- of een equivalente opleiding volgen.”



Hoofdstuk V. - Wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs



Art. 9. Aan artikel 125novies, §1, van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs, ingevoegd bij decreet van 10 juli 2003, wordt in § 1 een punt 8 toegevoegd dat luidt als volgt:

8° maakt afspraken/beslist over de verdeling van de uren-leraar die bestemd zijn voor mentorschap.”


Hoofdstuk VI. - Wijziging van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs


Art. 10. Aan artikel 71 van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs, gewijzigd bij decreet van 14 februari 2003, wordt een punt 12 toegevoegd dat luidt als volgt:


"12° maakt afspraken/beslist over de verdeling van de uren-leraar die bestemd zijn voor mentorschap.".



Hoofdstuk VII. Wijziging van het decreet van 2 maart 1999 tot regeling van een aantal aangelegenheden van het volwassenenonderwijs



Art. 11. Aan artikel 3, 19° van het decreet van 2 maart 1999 tot regeling van een aantal aangelegenheden van het volwassenenonderwijs, gewijzigd bij decreet van 14 februari 2003, worden de woorden “hetzij een opleiding van het pedagogisch hoger onderwijs heeft doorlopen” geschrapt.



Art. 12.. In hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 18 mei 1999, 20 oktober 2000, 13 juli 2001, 21 december 2001, 14 februari 2003, 19 december 2003, 19 maart 2004, 30 april 2004, 7 mei 2004 en 24 december 2004, worden aan hoofdstuk 3 een afdeling 4 , bestaande uit artikel 12bis tot en met artikel 12novies, en een afdeling 5 toegevoegd bestaande uit artikel 12 decies tot en met artikel 12 duodecies, ingevoegd die luiden als volgt:


Afdeling 4. De opleidingen van het pedagogisch hoger onderwijs


Art. 12bis §1. De opleidingen van het pedagogisch hoger onderwijs georganiseerd door de centra voor volwassenenonderwijs zijn specifieke lerarenopleidingen die leiden tot een diploma van leraar. Daarbij wordt rekening gehouden met het assessment, vermeld in § 5..


§2. De omvang van de specifieke lerarenopleiding bedraagt 60 studiepunten.


§3. De praktijkcomponent van de specifieke lerarenopleiding bedraagt 30 studiepunten en wordt volbracht als een preservicetraining of als een in-servicetraining.


§4. De centra voor volwassenenonderwijs organiseren de praktijkcomponent als preservicetraining in samenwerking met de stagescholen. De preservicetraining wordt begeleid door een personeelslid van het centra, de stagebegeleider genaamd, en een personeelslid van de school, belast met het mentorschap. De centra sluiten een overeenkomst met de stagescholen. Die overeenkomst bevat onder meer de verantwoordelijkheidsverdeling van stageschool, centrum en de cursist, waarbij de rol van de stageschool in de evaluatie van de cursist wordt vastgelegd. Indien er verscheidene stagescholen zijn, wordt ook vastgesteld welke school fungeert als ankerschool, zijnde de school waarlangs de contacten gebeuren.


§5. De in-servicetraining gebeurt in de vorm van een leraar-in-opleidingsbaan, hierna de LIO-baan genoemd, en wordt uitgeoefend in een of meer instellingen van het secundair onderwijs, het deeltijds kunstonderwijs en het volwassenenonderwijs. gedurende een volledig schooljaar.

De LIO-baan moet op jaarbasis ten minste 500 contacturen bedragen. Op het einde van de LIO-baan wordt de cursist gedurende een assessment, voor de in-servicetraining beoordeeld door de school en het centrum. Indien de leraar-in-opleiding er niet in slaagt 500 contacturen te presteren, kan hij dit tekort aanvullen met preservicetraining.

Het centrum, de school en de leraar-in-opleiding sluiten een LIO-baanovereenkomst af. Een LIO-baanovereenkomst is een overeenkomst waarbij een cursist in het kader van lerarenopleiding bepaalde kennis of vaardigheden verwerft in een school door het uitvoeren van arbeidsprestaties. De Vlaamse Regering bepaalt de minimale vormvereisten van deze overeenkomst.


De leraar-in-opleiding wordt aangesteld als tijdelijk personeelslid en moet voldoen aan de voorwaarden, bepaald in artikel 17 van het decreet Rechtspositie gemeenschapsonderwijs en artikel 19 van het decreet Rechtspositie gesubsidieerd onderwijs.


Art. 12ter. In afwijking van artikel 34 moeten de cursisten, die geen diploma secundair onderwijs behaald hebben, een door de Vlaamse Regering vast te leggen brugprogramma volgen. Dit brugprogramma vervangt de in artikel 37 vermelde toelatingsproef.


Art. 12quater §1. De centra voor volwassenenonderwijs kunnen met de universiteiten en hogescholen een overeenkomst sluiten over de gezamenlijke organisatie van de lerarenopleidingen, met name onderwijs- en studieactiviteiten, de kwaliteitszorg en het gebruik van infrastructuur.


§2. De overeenkomsten bedoeld in §1 kunnen worden geïntegreerd in en vervangen door een kaderovereenkomst die de oprichting van een Expertisenetwerk inzake lerarenopleiding tot voorwerp heeft. Een Expertisenetwerk omvat hogescholen, universiteiten en centra voor volwassenenonderwijs.


Hogescholen en universiteiten kunnen enkel binnen een associatie een expertisenetwerk oprichten. Per associatie is slechts één Expertisenetwerk mogelijk. Centra voor volwassenenonderwijs kunnen slechts in één Expertisenetwerk participeren.


§3. Een Expertisenetwerk heeft tot doel de expertise van de verschillende lerarenopleidingen in complementariteit te bundelen en te ontwikkelen, ter verbetering van de kwaliteit van de lerarenopleidingen en ter versterking van de dienstverlening op het vlak van de continue professionalisering van leraren.


§4. De kaderovereenkomst beschrijft in ieder geval:

  • de ontwikkeling van een strategisch beleidsplan betreffende de lerarenopleidingen

  • de samenwerking en profilering van de verschillende lerarenopleidingen, onder meer wat betreft toegankelijkheid en doelgroepenbeleid

  • de ondersteuning en versterking van de lerarenopleidingen op het vlak van onderwijskundig onderzoek door de universiteit

  • de planning van het vakdidactisch onderzoek aan de universiteit

  • de vakdidactische ondersteuning en versterking van de lerarenopleidingen

  • de gezamenlijke organisatie van de praktijkcomponent van de lerarenopleidingen

  • de versterking van de lerarenopleidingen op het vlak van praktijkexpertise en methodiek

  • de versterking van de lerarenopleidingen op het vlak van flexibele leerwegen en aantrekken van zij-instromers

  • de ontwikkeling van een beleidsplan inzake mentorenvorming, de nascholing van leraren en de wetenschappelijke en maatschappelijke dienstverlening inzake professionalisering van leraren

  • de uitwisseling van personeel van de betrokken centra voor volwassenenonderwijs, hogescholen en universiteiten

  • het gebruik van infrastructuur

  • de organisatie van de interne en externe kwaliteitszorg.


§5.. De Vlaamse Regering kan een Expertisenetwerk financieren. De financiering houdt rekening met het totaal aantal diploma’s uitgereikt door de opleidingen van het Expertisenetwerk.


Art. 12 quinquies In afwijking van artikel 15 en 75 bepalen de centra voor volwassenenonderwijs die een samenwerkingsakkoord zoals bedoeld in artikel 12 quater §2 hebben afgesloten met betrekking tot de gezamenlijke organisatie van de lerarenopleidingen, hun opleidingsprogramma op basis van de basiscompetenties en omvat ten minste de twee onderscheiden componenten die ook in de basiscompetenties voorkomen. Het opleidingsprogramma omvat ook een theoretisch gedeelte en een praktijkcomponent.


Art. 12 sexies §1. De Vlaamse Regering bepaalt de omzetting van lesuren naar studiepunten voor de lerarenopleidingen conform de bepalingen in deze afdeling.


§2. Deze lerarenopleidingen zijn niet onderworpen aan de bepalingen van artikel 5bis van de wet van 7 juli 1970 betreffende de algemene structuuur van het hoger onderwijs.


Art. 12 septies De opleidingen van het pedagogisch hoger onderwijs van de centra in kwestie, kunnen, in afwijking van artikel 5 van het decreet van 17 juli 1991 betreffende de inspectie en de pedagogische begeleidingsdiensten, via het in artikel 12 quater §2 vermelde samenwerkingsakkoord de interne en externe kwaliteitszorg gezamenlijk met de hogescholen en universiteiten organiseren.


Art. 12 octies §1. De centra voor volwassenenonderwijs bouwen de opleidingen van het pedagogisch hoger onderwijs af uiterlijk voor …


§2. De centra voor volwassenenonderwijs bouwen de specifieke lerarenopleidingen overeenkomstig de bepalingen van deze afdeling uit vanaf het schooljaar 2006-2007.


§3. Cursisten die uiterlijk in het schooljaar 2005-2006 ingeschreven waren in een opleiding die leidt tot het behalen van het getuigschrift van pedagogische bekwaamheid hebben het recht voor 1 september 2010 die opleiding te voltooien overeenkomstig het decreet van 2 maart 1999 tot regeling van een aantal aangelegenheden van het volwassenenonderwijs.


§4. De centra voor volwassenenonderwijs die deelnemen aan een Expertisenetwerk bepalen de modaliteiten waaronder de cursisten, bedoeld in §3, het diploma van leraar kunnen behalen.

Art. 12 novies De Vlaamse Regering kan initiatieven nemen met betrekking tot de kwaliteitszorg van de lerarenopleidingen door een beleidsevaluatie te organiseren. Een beleidsevaluatie zal onder meer aandacht hebben voor de mate waarin de centra , hogescholen en universiteiten een beleid voeren inzake taalvaardigheid van de cursist of studenten en voor de mate waarin de preservicetraining voorbereidt op de verschillende onderwijsvormen.De resultaten van deze evaluatie zullen worden vastgelegd in een openbaar verslag dat voorgelegd wordt aan het Vlaams Parlement.


Afdeling 5.- Overdracht van GPB-opleidingen in de hogescholen


Art. 12 decies§1. De centra voor volwassenenonderwijs die tijdens het schooljaar 2005-2006 de opleiding van het pedagogisch hoger onderwijs inrichten, kunnen deze opleiding overdragen aan een hogeschool die onderwijsbevoegdheid heeft voor het studiegebied onderwijs . De centra voor volwassenenonderwijs delen ten laatste drie maanden vóór de overdracht aan het Departement Onderwijs mee aan welke hogeschool zij de opleiding wensen over te dragen.


§2. Vanaf het ogenblik dat de centra voor volwassenenonderwijs de in §1 bedoelde opleiding hebben overgedragen aan een hogeschool, verliezen de centra voor volwassenenonderwijs de onderwijsbevoegdheid voor deze opleiding.


§3. De cursisten die ten laatste in het schooljaar voorafgaand aan de overname als regelmatig cursist zijn ingeschreven, hebben het recht de opleiding overeenkomstig de regelgeving voor het hoger onderwijs voor sociale promotie te voltooien op voorwaarde dat zij hun studies niet onderbreken en voldoen aan de voorwaarden inzake financierbaar cursist ;


§4.De centra voor volwassenenonderwijs die deelnemen aan een Expertisenetwerk bepalen de modaliteiten waaronder de cursisten, bedoeld in §3, het diploma van leraar kunnen behalen.


Art. 12 undecies§1. Het aantal lesurencursist van de referteperiode van 1 februari van het kalenderjaar dat voorafgaatnd aan de overname tot 31 januari van het kalenderjaar van de overname van de opleiding die wordt overgedragen naar de hogescholen worden niet in aanmerking genomen voor de berekening van het lestijdenpakket van het overdragende centrum voor volwassenenonderwijs voor het schooljaar dat volgt op de overdracht.


§2. Het aantal lesurencursist van de referteperiode van 1 februari van het kalenderjaar dat voorafgaatnd aan de overname tot 31 januari van het kalenderjaar van de overname van de opleiding die wordt overgedragen naar de hogescholen worden in aanmerking genomen als basis voor de berekening van de ambten bestuurs- en ondersteunend personeel, zoals bedoeld in het besluit van de Vlaamse regering van 1 december 2000 houdende vaststelling van de voorwaarden voor de financiering of subsidiëring van de ambten van het bestuurs- en ondersteunend personeel van de centra voor volwassenenonderwijs, van het overdragende centrum voor volwassenenonderwijs voor het schooljaar dat volgt op de overdracht …………………....


§3. Vanaf de referteperiode van 1 februari van het kalenderjaar van de overname tot en met 31 januari van het kalenderjaar dat volgt op het kalenderjaar van de overname worden de in de §1 en §2 bedoelde aantal lesurencursist geheel of ten dele toegeveogd aan het aantal lesurencursist van het overdragende centrum voor volwassenenonderwijs als basis voor de berekening van de ambten bestuurs- en ondersteunend personeel zolang en voor zover het aantal lesurencursist van het betrokken centrum niet groter wordt dan dit van de referteperiode van 1 februari van het kalenderjaar dat voorafgaat aan de overname tot en met 31 januari van het kalenderjaar van de overname”.


Art.12 duodecies Het decreet van 17 juli 1991 betreffende inspectie en pedagogische begeleidingsdiensten, zoals gewijzigd door het decreet van 13 april 1999 houdt, vanaf het ogenblik van de overdracht, op van toepassing te zijn op de aan de hogescholen overgedragen opleiding van het pedagogisch hoger onderwijs.


Art. 13. In artikel 37 van hetzelfde decreet wordt het tweede lid opgeheven.


Art. 14. In artikel 41, §4, 4° van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 24 februari 2004, worden de woorden ‘met uitzondering van het pedagogisch hoger onderwijs’ geschrapt.






Hoofdstuk VIII. Wijziging van het decreet van 8 juni 2000 houdende dringende maatregelen betreffende het lerarenambt


Art.15 In het decreet van 8 juni 2000 houdende dringende maatregelen betreffende het lerarenambt, gewijzigd bij de decreten van 20 oktober 2000, 13 juli 2001, 20 december 2002, 10 juli 2003 en 7 mei 2004, wordt hoofdstuk Vbis, bestaande uit artikel 43 bis en 43ter, opgeheven.



Hoofdstuk IX. Wijziging van het decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen


Art. 16. In het decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen, gewijzigd bij de decreten van 19 december 2003, 19 maart 2004, 30 april 2004 en 7 mei 2004, wordt een onderafdeling 6, bestaande uit artikel 55 bis tot en met artikel 55 duodecies, ingevoegd, die luidt als volgt:


Onderafdeling 6.- Lerarenopleidingen


Sectie 1. Algemeen


Art. 55bis. Onverminderd de toepassing van artikel 20 bepalen de instellingsbesturen het opleidingsprogramma van de lerarenopleidingen op basis van de basiscompetenties. Het opleidingsprogramma omvat ten minste de twee onderscheiden componenten die ook in de basiscompetenties voorkomen.

Het opleidingsprogramma omvat tevens een theoretisch gedeelte en een praktijkcomponent. De praktijkcomponent van een specifieke lerarenopleiding bedraagt 30 studiepunten.


Art. 55ter. §1. Het beroepsprofiel van de leraar is de omschrijving van de kennis, vaardigheden en attitudes van de leraar bij zijn beroepsuitoefening.


Het beroepsprofiel bevat tenminste de twee volgende basiscomponenten:

1°de voor alle leraarstypes gemeenschappelijke beroepsvereisten op het vlak van kennis, vaardigheden en attitudes;

2° de voor een leraarstype specifieke beroepsvereisten op het vlak van kennis, vaardigheden en attitudes.


§2. De Vlaamse Regering bepaalt het beroepsprofiel van elk leraarstype op advies van de Vlaamse Onderwijsraad. De Vlaamse Regering legt het besluit binnen de zes maand ter bekrachtiging voor aan het Vlaams Parlement. Indien het Vlaams Parlement dit besluit niet bekrachtigt, houdt het op rechtskracht te hebben.


§3. De basiscompetenties van de leraar zijn de omschrijving van de kennis, vaardigheden en attitudes, waarover iedere afgestudeerde moet beschikken om op een volwaardige manier als beginnend leraar te kunnen fungeren. De basiscompetenties stellen de leraar in staat door te groeien naar het beroepsprofiel.


De basiscompetenties worden rechtstreeks afgeleid van het beroepsprofiel en bevatten tenminste de twee basiscomponenten die ook in het beroepsprofiel voorkomen.


§4. De Vlaamse Regering bepaalt de basiscompetenties van elk leraarstype op advies van de Vlaamse Onderwijsraad.



Sectie 2. De geïntegreerde lerarenopleidingen


Art.55quater. §1. De professioneel gerichte bacheloropleidingen in onderwijs zijn geïntegreerde lerarenopleidingen die leiden tot de graad van bachelor in onderwijs, respectievelijk kleuteronderwijs, lager onderwijs en secundair onderwijs. De hogescholen kennen aan de afgestudeerden de betreffende graad toe en reiken het diploma van leraar uit.


§2.De studieomvang van de praktijkcomponent van de geïntegreerde lerarenopleiding 45 studiepunten.


De hogescholen organiseren de praktijkcomponent als preservicetraining in samenwerking met de stagescholen. De preservicetraining wordt begeleid door een personeelslid van de hogeschool, de stagebegeleider genaamd, en een personeelslid van de school, belast met het mentorschap. De hogescholen sluiten een overeenkomst met de stagescholen. Die overeenkomst bevat onder meer de verantwoordelijkheidsverdeling van stageschool, hogeschool en student, waarbij de rol van de stageschool in de evaluatie het assessment van de student wordt vastgelegd. Indien er verscheidene stagescholen zijn, wordt ook vastgesteld welke school fungeert als ankerschool, zijnde de school waarlangs de contacten gebeuren.



§4. De student van de geïntegreerde lerarenopleiding secundair onderwijs kiest twee onderwijsvakken uit de mogelijkheden die de hogeschool aanbiedt : aardrijkskunde, bewegingsrecreatie, bio-esthetiek, biologie, biotechnieken, bouw, chemie, Duits, economie, elektriciteit, Engels, Frans, fysica, geschiedenis, godsdienst, haartooi, handel-burotica, hout, burotica of informatica, kleding, Latijn, lichamelijke opvoeding, mechanica, muzikale opvoeding, Nederlands, niet-confessionele zedenleer, plastische opvoeding, project algemene vakken, , technologische opvoeding, voeding-verzorging, wiskunde. De Vlaamse Regering kan de lijst van onderwijsvakken aanpassen.


§5. De hogeschool kan de volgende opleidingsonderdelen voor specifieke onderwijsbehoeften aanbieden: Basiseducatie, buitengewoon onderwijs, doventolk, gebarentaal, intercultureel onderwijs, zorgverbreding.


De Vlaamse Regering kan de lijst van opleidingsonderdelen met betrekking tot specifieke onderwijsbehoeften aanpassen.


Onverminderd de toepassing van §4 kan de student van de geïntegreerde lerarenopleiding secundair onderwijs boven op het pakket van twee onderwijsvakken kiezen uit de opleidingsonderdelen voor specifieke onderwijsbehoeften.


De opleidingsonderdelen voor specifieke onderwijsbehoeften kunnen bovendien worden gevolgd door alle personeelsleden van het onderwijs.



§6. Een hogeschool kan voor de onderwijsvakken muzikale opvoeding, plastische opvoeding en lichamelijke opvoeding vaste combinaties met andere onderwijsvakken aanbieden.





Sectie 3. De specifieke lerarenopleidingen, georganiseerd door hogescholen en universiteiten


Art. 55quinquies §1. Hogescholen kunnen voor de professioneel gerichte bacheloropleidingen een specifieke lerarenopleiding aanbieden op voorwaarde dat er een samenwerkingsakkoord is als vermeld in artikel55septies.


De houders van een professioneel gericht bachelordiploma en studenten die al 120 studiepunten hebben verworven, worden toegelaten tot de specifieke lerarenopleidingen, georganiseerd door hogescholen.


§2. Hogescholen kunnen voor de masteropleidingen in de studiegebieden handelswetenschappen en bedrijfskunde, audiovisuele kunst en beeldende kunst of in het studiegebied muziek en dramatische kunst, een specifieke lerarenopleiding aanbieden.


De houders van een academisch bachelordiploma in de bovenvermelde studiegebieden, worden toegelaten tot de specifieke lerarenopleidingen, georganiseerd door hogescholen.


§3. Universiteiten kunnen voor de masteropleidingen een specifieke lerarenopleiding aanbieden, die leidt tot het diploma van leraar.


De houders van een academisch bachelordiploma worden toegelaten tot de specifieke lerarenopleidingen, georganiseerd door universiteiten.


§4.5. De praktijkcomponent van de specifieke lerarenopleidingen kan worden volbracht in twee vormen:

1°als een preservicetraining;

2° als een in-servicetraining.


§5.

De preservice training wordt georganiseerd in samenwerking met de stagescholen, en begeleid door een personeelslid van de hogeschool of de universiteit, de stagebegeleider genaamd, en een personeelslid van de school, belast met het mentorschap. De omvang van de

preservicetraining bedraagt 30 studiepunten. De hogescholen of universiteiten sluiten een overeenkomst met de stagescholen. Deze overeenkomst bevat onder meer de verantwoordelijkheidsverdeling van stageschool, hogeschool of universiteit en student, waarbij de rol van de stageschool in de evaluatie het assessment van de student wordt vastgelegd. Indien er verscheidene stagescholen zijn, wordt ook vastgesteld welke school fungeert als ankerschool, zijnde de school waarlangs de contacten gebeuren.


§3. De in-servicetraining gebeurt in de vorm van een leraar-in opleidingsbaan, hierna de LIO-baan genoemd en wordt uitgeoefend in een of meer instellingen van het secundair onderwijs, het deeltijds kunstonderwijs en het volwassenenonderwijs. gedurende een volledig schooljaar of het equivalent.


De LIO-opleidingsbaan moet op jaarbasis ten minste 500 contacturen bedragen. Op het einde van de LIO-opleidingsbaan wordt de student gedurende een assessment voor de in-servicetraining beoordeeld door de school en de hogeschool of universiteitlerarenopleiding. Indien de leraar-in-opleiding er niet in slaagt 500 contacturen te presteren, kan hij dit tekort aanvullen met preservice-training.


De hogeschool of universiteitlerarenopleiding, de instelling, de school en de leraar-in-opleiding sluiten een LIO_opleidingsbaanovereenkomst af. Een LIO-opleidingsbaanovereenkomst is een overeenkomst waarbij een student in het kader van lerarenopleiding bepaalde kennis of vaardigheden verwerft in een school instelling door het uitvoeren van arbeidsprestaties. De Vlaamse Regering bepaalt de minimale vormvereisten van deze overeenkomst.


De leraar-in-opleiding wordt aangesteld als tijdelijk personeelslid en moet voldoen aan de voorwaarden bepaald in artikel 17 van het decreet Rechtspositie gemeenschapsonderwijs en artikel 19 van het decreet Rechtspositie gesubsidieerd onderwijs.


§67.. De specifieke lerarenopleidingen worden bekrachtigd met een diploma van leraar. Daarbij wordt rekening gehouden met het assessment, vermeld in § 35.


Art.55sexies. Onverminderd de toepassing van artikel 17 kunnen hogescholen aansluitend bij de geïntegreerde lerarenopleidingen postgraduaten inrichten die leiden tot:

1° een verdere bekwaming van een eerder gekozen onderwijsvak;

2° de verwerving van een extra onderwijsvak;

3° de verwerving van een specifieke bekwaamheid.


Art. 55septies. §1. Hogescholen en universiteiten kunnen met een opleiding van het pedagogisch hoger onderwijs georganiseerd door een centrum voor volwassenenonderwijs, een overeenkomst sluiten over de gezamenlijke organisatie van de lerarenopleidingen, met name onderwijs- en studieactiviteiten, de kwaliteitszorg en het gebruik van infrastructuur.


§2. De overeenkomsten bedoeld in §1 kunnen worden geïntegreerd in en vervangen door een kaderovereenkomst die de oprichting van een Expertisenetwerk inzake lerarenopleiding tot voorwerp heeft.


Hogescholen en universiteiten kunnen enkel binnen een associatie een expertisenetwerk oprichten. Per associatie is slechts één Expertisenetwerk mogelijk. Centra voor volwassenenonderwijs kunnen slechts tot één Expertisenetwerk toetreden.


§3. Een Expertisenetwerk heeft tot doel de expertise van de verschillende lerarenopleidingen in complementariteit te bundelen en te ontwikkelen, ter verbetering van de kwaliteit van de lerarenopleidingen en ter versterking van de dienstverlening op het vlak van de continue professionalisering van leraren.


§4. De kaderovereenkomst beschrijft in ieder geval:

  • de ontwikkeling van een strategisch beleidsplan betreffende de lerarenopleidingen

  • de samenwerking en profilering van de verschillende lerarenopleidingen, onder meer wat betreft toegankelijkheid en doelgroepenbeleid

  • de ondersteuning en versterking van de lerarenopleidingen op het vlak van onderwijskundig onderzoek door de universiteit

  • de planning van het vakdidactisch onderzoek aan de universiteit

  • de vakdidactische ondersteuning en versterking van de lerarenopleidingen

  • de gezamenlijke organisatie van de praktijkcomponent van de lerarenopleidingen

  • de versterking van de lerarenopleidingen op het vlak van praktijkexpertise en methodiek

  • de versterking van de lerarenopleidingen op het vlak van flexibele leerwegen en aantrekken van zij-instromers

  • de ontwikkeling van een beleidsplan inzake mentorenvorming, de nascholing van leraren en de wetenschappelijke en maatschappelijke dienstverlening inzake professionalisering van leraren

  • de uitwisseling van personeel van de betrokken centra voor volwassenenonderwijs, hogescholen en universiteitenopleidingsinstituten

  • het gebruik van infrastructuur

  • de organisatie van de interne en externe kwaliteitszorg.


§ 5. De Vlaamse Regering kan een Expertisenetwerk financieren. De financiering houdt rekening met het totaal aantal diploma’s uitgereikt door de opleidingen van het Expertisenetwerk.


Art. 55 octies. Onverminderd de toepassing van Titel I, Hoofdstuk IV kan de Vlaamse Regering initiatieven nemen met betrekking tot de kwaliteitszorg van de lerarenopleidingen door een beleidsevaluatie te organiseren. Een beleidsevaluatie zal onder meer aandacht hebben voor de mate waarin de instellingen Een beleidsevaluatie zal onder meer aandacht hebben voor de mate waarin de centra , hogescholen en universiteiten een beleid voeren inzake taalvaardigheid van de cursist of studenten en voor de mate waarin de preservicetraining voorbereidt op de verschillende onderwijsvormen.……………….taalvaardigheid en de mate waarin de preservicetraining voorbereidt op de verschillende onderwijsvormen. De resultaten van deze evaluatie zullen worden vastgelegd in een openbaar verslag dat voorgelegd wordt aan het Vlaams Parlement.


Art. 55 novies. §1. De hogescholen bouwen de initiële lerarenopleidingen en de bacheloropleidingen onderwijs met ingang van het academiejaar 2005-2006 af.


§2. Studenten die uiterlijk in het academiejaar 2005-2006 geslaagd waren voor minstens 60 studiepunten van een geïntegreerde lerarenopleiding, hebben het recht die opleiding te voltooien overeenkomstig titel II , hoofdstuk I , onderafdeling 4 van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap.


§3. De hogescholen bouwen de geïntegreerde lerarenopleidingen uit overeenkomstig de bepalingen van deze onderafdeling met ingang van het academiejaar 2005-2006.


Art. 55 decies§1. De hogescholen en universiteiten bouwen de academische initiële lerarenopleidingen en de initiële lerarenopleidingen van academisch niveau af met ingang van het academiejaar 2005-2006.

§2. .Studenten die uiterlijk in het academiejaar 2005-2006 ingeschreven waren in een academische initiële lerarenopleiding en een initiële lerarenopleiding van academisch niveau of voortgezette lerarenopleiding, hebben het recht die opleiding te voltooien overeenkomstig het decreet van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap respectievelijk het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap.


§4. De universiteiten en hogescholen bepalen de modaliteiten waaronder de studenten bedoeld in §2 het diploma van leraar kunnen behalen.


Sectie 4.- Overname van GPB-opleidingen door hogescholen



Art.55 undecies §1. De hogescholen die onderwijsbevoegdheid hebben voor het studiegebied ondewijs, kunnen de opleiding van het pedagogisch hoger onderwijs overnemen van de centra voor volwassenenonderwijs. De hogescholen sluiten met de betrokken centra voor volwassenenonderwijs een protocol terzake af. De hogescholen bezorgen de protocollen aan de Vlaamse regering voor 1 mei van het academiejaar voorafgaand aan de overname.


§2. Het in §1 bedoelde protocol vermeldt tenminste :

1° de naam van het centrum voor volwassenenonderwijs en de naam van de hogeschool ;

2° de naam van de opleiding die wordt overgedragen en de categorie(en) waarbinnen deze opleiding is gerangschikt ;

3° de naam van de hogeschoolopleiding waarnaar de opleiding wordt omgevormd en het studiegebied waarbinnen de opleiding is gerangschikt ;

4° de vestiging van de hogeschool waar de overgedragen opleiding zal worden georganiseerd ;

5° de modaliteiten inzake de organisatie van de opleiding in afbouw overeenkomstig de organisatie van het hoger onderwijs voor sociale promotie ;

6° de procedure en de modaliteiten inzake de overdracht van de inschrijving van de studenten die op het ogenblik van de overdracht van de opleiding in het centrum voor volwassenenonderwijs zijn ingeschreven, naar de hogeschool ;

7° de procedure en de modaliteiten inzake de overdracht van het personeel van het centrum voor volwassenenonderwijs naar de hogeschool ;

8° desgevallend de modaliteiten inzake de overdracht van infrastructuur en onroerende goederen.



§3. De hogescholen stellen het inschrijvingsgeld voor de in §3 bedoelde cursisten vast overeenkomstig artikel 50, §1 van het decreet van 2 maart 1999 tot regeling van een aantal aangelegenheden van het volwassenenonderwijs. De hogescholen kunnen de cursisten vrijstelling van inschrijvingsgeld verlenen zoals bedoeld in artikel 50, §2 van hetzelfde decreet ;


§4. De hogescholen zijn voor deze opleiding onderworpen aan de kwaliteitszorg die van toepassing is op de hogescholen.”


Art.55 duodecies §1. De hogescholen vormen de overgenomen opleiding van het pedagogisch hoger onderwijs om tot een specifieke lerarenopleiding. Deze lerarenopleiding bedraagt 60 studiepunten.


§2. Het decreet van 17 juli 1991 betreffende inspectie en pedagogische begeleidingsdiensten, zoals gewijzigd door het decreet van 13 april 1999 houdt, vanaf het ogenblik van de overdracht, op van toepassing te zijn op de aan de hogescholen overgedragen opleiding van het pedagogisch hoger onderwijs.


§3. De betrokken hogeschool treedt in de rechten en de verplichtingen van de inrichtende macht van het gemeenschapsonderwijs die vroeger uit hoofde van het organiseren van de in artikel …. van het decreet van 2 maart 1999 tot regeling van een aantal aangelegenheden van het volwassenenonderwijs bedoelde opleiding zijn ontstaan, onverminderd de bepalingen van deze artikelen. In de overdracht zijn begrepen alle rechten en verplichtingen verbonden aan

hangende en toekomstige procedures.


Art. 17. Artikel 136 van hetzelfde decreet wordt opgeheven.




Hoofdstuk X. Slotbepaling



Art. 18. Dit decreet treedt in werking op 1 september 2006, met uitzondering van artikel 5, 3° dat uitwerking heeft op 1 september 2005.




Brussel,



De minister-president van de Vlaamse Regering,






Yves LETERME


De Vlaamse minister van Werk, Onderwijs en Vorming,







Frank VANDENBROUCKE

Decreet lerarenopleiding- versie 17 oktober 2005 - 17